Toegang tot kinderopvang, dan eerst vaccineren

De Brancheorganisatie Kinderopvang beroept zich onterecht op de schoolplicht. Volksgezondheid is belangrijker, aldus Roland Pierik.

Sinds maart 2013 kampt Nederland met een mazelenepidemie. In het afgelopen jaar zijn 182 kinderen opgenomen, één ongevaccineerd meisje is overleden. De ziekte sluimerde even, maar brak vorige week opnieuw uit. In Den Haag werd een jongetje van zes maanden doodziek omdat hij door een bewust niet-gevaccineerd kind is besmet.

De Brancheorganisatie Kinderopvang stelt dat kinderopvangorganisaties een kind niet kunnen weigeren op basis van keuzes van hun ouders. De organisatie verwijst naar de wetgever, maar daarmee onderschat ze haar mogelijkheden. Artikel 11 lid 2b van haar Algemene voorwaarden voor Kinderopvang (AVK) stelt dat de kinderopvanglocatie het recht heeft het kind de toegang tot de locatie te weigeren indien het kind „een risico of bedreiging vormt voor de geestelijke en/of lichamelijke gezondheid of veiligheid van anderen, na te zijn gewaarschuwd, tenzij een waarschuwing redelijkerwijs niet van de Ondernemer mag worden verwacht.”

In het standpunt op de site staat de volgende aanvulling: „De AVK zijn alleen van kracht als ouders en organisatie een overeenkomst/contract met elkaar zijn aangegaan. Dus ouders en kind eerst toelaten omdat je ze wettelijk niet mag weigeren en vervolgens op basis van de AVK de toegang weigeren is een manier waarop wij als ondernemers niet met klanten willen omgaan.” Maar dit lijkt te formalistisch geredeneerd. Waarom kan een opvanglocatie de ouders bij inschrijving niet waarschuwen dat de kinderen als risico worden opgevat indien ze niet meedoen aan het Rijksvaccinatieprogramma, op basis waarvan ze de toegang tot de locatie zal worden geweigerd?

Deze weigering is uitstekend verdedigbaar. Ook is het niet in strijd met de schoolplicht. De schoolplicht, gecombineerd met een verplichte vaccinatie als toegangseis, zou een indirecte vaccinatieplicht opleveren. Maar de keuze voor kinderopvang is een vrijwillige die niet-vaccinerende ouders kunnen ontlopen.

Ten tweede zijn op crèche en buitenschoolse opvang kinderen aanwezig vanaf ongeveer 3 maanden tot hun twaalfde levensjaar. Kinderen worden gewoonlijk pas tegen mazelen gevaccineerd als ze 14 maanden oud zijn. De eerste maanden na de geboorte zijn kinderen beschermd tegen mazelen door antistoffen die ze bij de geboorte hebben meegekregen. Precies de aanwezigheid van deze antistoffen verkleint de kans op bescherming bij vaccinaties voor de 14e maand.

Tot hun 14e maand zijn geen van de kinderen in de opvang tegen de mazelen gevaccineerd, maar komen ze wel in aanraking met oudere kinderen die zelf ook weer met veel andere kinderen in aanraking komen. Ongevaccineerde kinderen van boven de 14de maand vormen dus wel degelijk een risico voor de jongere kinderen in de opvang die om medische redenen zelf nog niet via vaccinatie beschermd kunnen worden.

Dit rechtvaardigt deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma als verplichte toegangseis. De Brancheorganisatie Kinderopvang stelt dat „het wel of niet verplicht inenten een maatschappelijke discussie is die los staat van kinderopvang”. Maar hiermee lijkt de branche haar verantwoordelijkheid te ontlopen ten opzichte van het overgrote merendeel van de ouders die hun kinderen wel beschermd willen zien.

Het zou goed zijn als de branche haar eigen algemene voorwaarden wat meer serieus zou nemen. Op basis van dezelfde AVK zouden instellingen wel eens wettelijk aansprakelijk gesteld kunnen worden.