Ondertussen op kantoor

Wekelijks geeft Japke-d. Bouma survivaltips voor op kantoor. Deze week: hoe ga je om met de collega’s van de techniek?

Iedereen kent ze: de momenten dat de techniek hapert, je de stekker al uit frustratie hebt opgegeten en je het liefst in een kuil wilt zakken. Als je computer crasht en je nog 351 punten moet maken. Als er rook komt uit je PowerPoint, en er tweehonderd hongerige concurrenten in de zaal zitten. Als je filmpje niet beweegt tijdens je pitch, en daar nou net alles vanaf hing. Als je telefoon doodgaat. Of als je na het tikken van 27 bladzijden weer eens in slaap gevallen bent met je neus op de deletetoets.

Dat zijn de momenten dat je ze belt: de jongens en meisjes van de techniek. En dan komen ze je redden. Alles fixen ze voor je: je harddrive, je statistieken, je reputatie, je vertrouwen. Zeker in een wereld van alfa’s die het verschil tussen een oplader en een TomTom al lastig vinden, is techniek de graal waaruit slechts een paar goden kunnen drinken – ze zijn de ghostbusters van kantoor.

Maar waardering zie ik ze zelden krijgen. Ja, in de eerste tien seconden nadat ze de blinde paniek hebben opgelost. Dan krijgen ze weleens een kop koffie, of een halfslachtige Snickers toegeschoven. Maar verder vind ik dat er maar slordig met ze wordt omgesprongen. Ze zitten vaak alleen in de kantine en staan apart op borrels – hoewel dat natuurlijk ook kan komen doordat ze met hun truien, staarten, baarden en brillen een ondoordringbare kluwen vormen. Maar dat is mijn punt niet. Mijn punt is: we zouden ze best wat meer kunnen eren.

Hoezo waardering, hoor ik dan weleens, het is toch hun werk? En kom op zeg, ze gebruiken woorden als compatibiliteitsweergave, spam run, mailomgeving, contractmigratie, poortjes en accountsynchronisatie in volstrekt onbegrijpelijke berichten die je altijd zo snel mogelijk moet weggooien. Ze zijn ook best eng, omdat ze in de krochten van je digitale geweten kunnen kijken. Alles zien ze – je pikanterietjes, je mislukte flirts, de mails naar je moeder en je boodschappenlijstjes. En ze kunnen je dronken naaktfoto’s online zetten.

Ik zou zeggen: dat is geen reden om ze niet te verheerlijken. Ik zie dat eerder als een welkome secundaire arbeidsvoorwaarde voor hun monnikenwerk: zij onze geheimen, wij de verlossing. Want ze hóéven niet te werken. Die gasten hebben natuurlijk allemaal een lucratieve ICT-business on the side. Ze zien dit werk als roeping. Des te meer reden om hen eens flink in het zonnetje te zetten.

Mijn advies zou dus zijn: we gaan allemaal een technische opleiding op TU-niveau volgen, gewoon om eens een praatje met ze te kunnen maken. Verder roepen we een techniekdag in het leven – vergeet secretaressedag – ze krijgen allemaal een nieuwe auto en concertkaarten voor hun bands (vaak metal) en we gaan met ze douchen, zoenen, en trouwen. We gaan met ze naar de kapper. We offeren ze jonge maagden. Het zijn goden, mensen. Goden die voor je werken, moet je aanbidden.