Hoger in de voedselketen, minder intens

Toneelfilms stonden lang in kwade reuk bij cinefielen: filmisch gold als het tegendeel van theatraal.

De Franse toneelschrijver Cyril Gély was vorige week in zijn nopjes in Brussel. Diplomatie, de verfilming van zijn toneelstuk uit 2010, viel goed in Frankrijk. Het gaat over de Zweedse consul Raoul Nordling die met argumenten, manipulatie en leugens de Duitse gouverneur en nazi Dietrich von Choltitz in de nacht van 25 augustus 1944 weerhoudt van de verwoesting van Parijs.

Hoe van zo’n kamerspel voor twee oude heren een echte film te maken? Een eerste script van filmregisseur Jean Becker waaierde uit tot oorlogsepos met straatgevechten: dat werkte niet. Volker Schlöndorff keerde terug naar het stuk. „Driekwart van mijn dialoog is behouden”, zei Gély. „Maar zo’n script was nooit verfilmd als het zich niet op de toneel had bewezen. Twee man in een hotelkamer: dat lijkt niet op een film.”

Er zijn duizenden films naar toneelstukken; Wikipedia telt alleen al 410 Shakespearefilms. Andersom gebeurt zelden: films die tot toneelstukken worden bewerkt. Wel tot musicals, momenteel zelfs op zo’n schaal dat Broadway een filiaal van Hollywood lijkt en door critici hersendood is verklaard. Maar bij toneel blijft het eenrichtingsverkeer.

Toneel voedt al een eeuw de film. Aanvankelijk arbeidersvermaak in stuivertheaters, wist film rond 1910 ook de bourgeoisie te lokken met chique filmpaleizen en toneelfilms ‘van niveau’. Filmondernemers als Adolph Zukor, stamvader van Paramount, kochten op grote schaal sterren van het theater weg. Na de komst van geluidsfilm in 1927 volgde de tweede migratie van Broadway naar Hollywood. Ook in andere landen was er opeens grote behoefte aan lieden die raad wisten met tekst: toneelacteurs, -schrijvers, -regisseurs. In combinatie met geluidsdichte studio’s, logge camera’s en ongevoelige microfoons werkten date een golf statische toneelfilms in de hand. Dat bracht toneel bij cinefielen in een kwade reuk. Ze gingen filmisch als het tegendeel van theatraal definiëren, en film als bevrijding van de theatrale beperkingen. Film was dynamisch, niet statisch, visueel, niet verbaal, authentiek, niet kunstmatig, ingetogen, niet nadrukkelijk.

Toch erkende zelfs de grote Franse cinefiel André Bazin in 1951 al dat toneel iets biedt wat film mist: aanwezigheid. Bazin constateert dat het voltage in de bioscoop altijd lager is dan in het theater. Dat is omdat bij toneel acteurs en toeschouwer op elkaar reageren, terwijl in de bioscoop de toeschouwer gluurt naar een wereld die zich niet van hem bewust is. Zo kan hij zich in de held(in) verplaatsen en wegdromen. Bij toneel blijft afstand. Neem een acteur omringd door dansmeisjes, aldus Bazin. In de film projecteert de (mannelijke) kijker zijn begeerte op de acteur, op de planken is er ook iets van jaloezie. Toneel windt op, film sust in slaap – hoger in de voedselketen misschien, maar nooit zo intens.

    • Coen van Zwol