Gezondheidsraad: betere bescherming van foetus

Volgens de Gezondheidsraad moet de overheid meer doen om vooral zwangere vrouwen te beschermen tegen de risico’s van chemische stoffen.

De Nederlandse overheid moet meer doen om eerder schadelijke effecten van chemische stoffen op te sporen. Daarbij moet de nadruk liggen op de gevaren van die stoffen tijdens de zwangerschap. Chemische stoffen kunnen de ontwikkeling van de foetus verstoren en dat kan ingrijpende en levenslange gevolgen hebben. Met de huidige toxicologische tests blijven die risico’s onderbelicht.

Dat schrijft de Gezondheidsraad vandaag in een advies aan staatssecretaris Wilma Mansveld van Infrastructuur en Milieu.

De Gezondheidsraad vindt dat de overheid de effecten van chemische stoffen die nieuw op de markt komen moet volgen, zoals ook nieuwe medicijnen na de marktintroductie worden gevolgd. Dit is nodig omdat sommige effecten van die middelen in experimenten met proefdieren onopgemerkt kunnen blijven, bijvoorbeeld omdat ze heel zeldzaam zijn of pas heel laat in het leven naar voren komen.

De blootstelling aan probleemstoffen is door ingrijpen van de overheid de laatste decennia wel flink gedaald, constateert de Gezondheidsraad. Vuilverbrandingsinstallaties kregen bijvoorbeeld filters waardoor geen dioxines meer vrijkwamen, en lood werd uit de benzine gehaald. Maar bekende ‘probleemstoffen’ als pcb’s en zware metalen komen door hun slechte afbreekbaarheid nog steeds voor in het milieu. Ze kunnen ernstige nadelige gevolgen hebben voor de ontwikkeling van een foetus doordat een zwangere vrouw ze via de voeding of door inademing binnen krijgt.

„In de praktijk blijkt het niveau van oude stoffen voor een gedeelte van de bevolking nog steeds gevaarlijk hoog te kunnen liggen”, zegt Martin van den Berg, hoogleraar toxicologie en voorzitter van de commissie van de Gezondheidsraad. „Op dit moment kan de overheid weinig meer doen om de niveaus op korte termijn terug te brengen. Verdwijnen uit milieu gaat langzaam en kan door beleidsmaatregelen niet versneld worden.”

Bij het toelaten van nieuwe stoffen moet om deze reden meteen rekening gehouden worden met effecten op ongeboren kinderen, zegt Van den Berg van de Gezondheidsraad. „Pas de laatste tien jaar is duidelijk geworden hoe gevoelig de foetus en baby is voor de effecten van lichaamsvreemde stoffen.”

Er moet een maatschappelijke discussie komen of het voorzorgsprincipe hier niet zwaarder moet wegen dan het economische belang, vindt Van den Berg. „Ik moet er niet aan denken dat ik met de kennis van nu in de positie van een zwangere vrouw zou zijn in de jaren zeventig en tachtig. Terugkijkend kunnen we er vrijwel zeker van zijn dat in die periode de niveaus onacceptabel hoog waren. Dat heeft voorspelbare effecten gehad op de geestelijke en geslachtsontwikkeling.”