‘Dit is mijn entertainende antwoord op de crisis’

Een van de interessantste jonge choreografen van het moment laat zijn dansers een uur springen.

Hij is een typische vertegenwoordiger van een internationale generatie jonge makers. Ja, hij denkt conceptueel en zeker, de boodschap is gevat in een dwingende vorm die weinig ruimte biedt voor spielerei van zijn dansers. Maar anders dan de conceptuelen uit de jaren negentig, die met hun hermetische werk een diepe minachting voor het publiek leken te hebben, hecht Jan Martens (1984) er wel degelijk aan dat die boodschap wordt opgepikt.

In Sweat Baby Sweat bijvoorbeeld maakte hij met een extreem traag, acrobatisch ‘Siamees’ duet, met twee lichamen in voortdurend contact, aanschouwelijk hoe uitputtend het is een relatie staande te houden die eigenlijk is uitgedoofd. De door leven en liefde gebutste Truus Bronkhorst zette hij op een krukje en liet haar gecontroleerd kermen (BIS).

„Ik sta de mensen niet toe te spelen”, legt de Vlaamse choreograaf uit. „De vorm moet overwinnen, ik wil dat de vorm hen verplicht om te ‘zijn’ en niet te acteren. Daarom heb ik Truus in die voorstelling op een kruk gezet. Nee, Truus we gaan niet spelen, we gaan schrééuwen.”

In zijn nieuwe voorstelling The Dog Days Are Over laat hij vier mannen en vier vrouwen, simpel gezegd, een uur lang springen. Sober en scherp, maar ook gelikt en showy. Aanvankelijk in regelmatige, straffe ritmes, met verglijdende ruimtelijke formaties, maar plots overschakelend op een niet te tellen serie maat- en tempowisselingen: vier keer drie, vijf keer twee, zeven keer vijf, drie keer elf, twee maal twee. Naarmate hun uitputtingsslag langer duurt, beginnen ze te prevelen, worden kreten om hulp met de telling uitgestoten, moet soms iemand even afhaken.

„De vorm verdwijnt omdat ze het tot in den treure herhalen. De precisie vloeit weg omdat ze moeten vechten om het vol te houden. De combinatie is te veel.”

Wat niet erg is, zegt Martens, zolang ze maar op hun manier weer in het gareel raken. Alle inspanning en concentratie slaat van lieverlee over op de toeschouwer. „Ik hoop dat het publiek in de val loopt: eerst denken ze minimal dance te zien, maar het verandert in een soort superentertainende showdans, die dan zó lang wordt doorgezet dat het weer minimal is.”

Kunst ten opzichte van commercie, daarover gaat het in The Dog Days Are Over. Idealiter gaat de kijker vragen stellen: hoe lang is dit leuk, zijn die dansers masochistisch, wat verwacht ik eigenlijk van theater, wil ik dit zien? Het stuk was, aldus de choreograaf, in eerste instantie een eenzijdig portret van de danser als uitvoerend wezen dat alleen kan tellen en niet denken. „Maar het mooie is dat ze de choreografie kunnen overstijgen.”

Hij legt een relatie met de huidige eis ‘zitjes te vullen’. „Sexy, zwetende mensen: daarmee trek je publiek. Niet voor niets zeggen ze contemporary dance is striptease for the upper class. Dit is mijn entertainende antwoord, met een cynische ondertoon, op de crisis in de cultuursector.”

    • Francine van der Wiel