Carruth maakt films die je niet in één keer kunt begrijpen

De Amerikaanse regisseur Shane Carruth is een true original, en die zijn schaars. Zijn nieuwe film Upstream Color, de langverwachte opvolger van zijn veel geloofde debuut Primer uit 2004, is een soort kruisbestuiving van het werk van David Cronenberg en diens horrorvisie op de moderniteit, en de pastorale lyriek van Terrence Mallick. Niet direct een combinatie die voor de hand ligt, dat tekent Carruths eigenzinnigheid. Wat hem met name onderscheidt is zijn fascinatie voor de exacte wetenschappen, ook weer bij Upstream Color, een film die aanknoopt bij inzichten uit de biologie. Dat maakt de film tot een ideale openingsfilm voor het futurologisch getinte nieuwe festival Age of Wonder, eind deze maand in Eindhoven, dat verbanden wil leggen tussen wetenschap, kunst en technologie.

Zo’n fascinatie voor exacte kennis is zeldzaam onder filmmakers, vrijwel zonder uitzondering alfa’s die liever te rade gaan bij kunst dan bij wetenschap en filosofie. Carruth studeerde wiskunde voordat hij ging filmen. Zijn debuut Primer, gemaakt voor een budget van 8.000 dollar, ging over jongens die vanuit hun garage een technologiebedrijfje beginnen, en die en passant een tijdmachine uitvinden. Carruth deed de grootst mogelijke moeite om de onderbouwing daarvan zo wetenschappelijk mogelijk te laten zijn – met als gevolg dat de film bij de eerste keer zien onbegrijpelijk is; op het web zijn complexe schema’s te vinden die de tijdsprongen en tijdlagen in Primer zo plausibel mogelijk in kaart brengen.

Upstream Color is een vrijere, associatieve film, die niettemin ideeën ontleent aan de biologie, met name over parasieten, die het vermogen hebben om persoonlijkheidsveranderingen en gedragsveranderingen teweeg te brengen bij de dragers. Met zo’n identiteitsvernietigende parasiet, een onschuldig ogend wormpje dat in het lichaam monsterlijke proporties aanneemt, speelt de film een complex spel met identiteit en identiteitsverlies tussen een man en een vrouw, die beide zijn geïnfecteerd, maar ook tussen mens en dier, en zelfs mens en plant. De film is bepaald weird , maar er zit wel degelijk methode in – op de site van The New Yorker is een briljant staaltje exegese van de film te vinden door de romanschrijver Caleb Crain. Hoe meer film haakt naar de complexiteit van de hoge kunst, hoe meer ook film afhankelijk wordt van dergelijk commentaar van buiten. Wie van plan is naar Eindhoven af te reizen om de film te zien, doet er niet slecht aan het stuk van Crain vooraf te lezen, en de spoilers dan maar voor lief te nemen. Om meteen op het eerste gezicht al die verbanden te ontdekken, vergt wel erg veel tegenwoordigheid van geest.

    • Peter de Bruijn