Buiten Londen is het crisis troef

De Britse regering komt vandaag met haar nieuwe begroting. De economie groeit, de werkloosheid daalt. Maar dat wordt niet overal gevoeld.

Het noorden van Engeland is – met Wales en Noord-Ierland – hard geraakt door de economische crisis en door de bezuinigingen. In Wigan is de werkloosheid hoog en sluiten veel winkels hun deuren. Foto AP

Sheila Bewley (55) zit op een winderig bankje in het centrum van Wigan, in het noordwesten van Engeland, en eet een boterham. Ze zegt: „Vroeger zou ik een koffie hebben gekocht. Niet dat ik met geld strooide, maar voor het eerst moet ik kiezen tussen een extraatje en de verwarming aanzetten.” De freelance accountant vertelt: „Ik ben niet de enige. Hoe je je rekeningen betaalt, is een favoriet gespreksonderwerp geworden.”

De vraag was of ze het gevoel had dat het economisch beter gaat met de Britten. Vandaag kwam de regering-Cameron met haar vijfde begroting. En wie naar de cijfers kijkt, ziet positieve signalen: de economie groeit dit jaar met een verwachte 2,4 procent, de werkloosheid daalde tot 7,2 procent, en de inflatie is minder dan 2 procent.

Maar de groei is onevenredig verspreid, en wordt voornamelijk door Londen en het zuidwesten van het land getrokken. Bewley zegt stellig: „Ik weet niet wat er elders gebeurt, maar wij merken er hier niets van. Absoluut niets.”

Want er zijn weliswaar vacatures, maar vier op de vijf banen in de commerciële sector zijn in het zuiden van Engeland te vinden. In het noorden zijn de huizenprijzen lager dan elders in het Verenigd Koninkrijk, maar ze zijn nog niet terug op het niveau van vóór 2008, zoals dat in het zuiden het geval is. En er worden meer huizen in beslaggenomen wegens wanbetalingen. Het gemiddelde salaris in Londen is 35.238 pond (ruim 42.000 euro), in het noordwesten 25.097 pond, in het noordoosten zelfs 24.084 pond.

Het contrast tussen het noorden en het zuiden is zo groot dat de aartsbisschop van Canterbury, tevens lid van de parlementaire commissie voor bankrichtlijnen, in oktober vertelde dat toen hij met zijn gezin van Durham verhuisde naar Londen, het „voelde alsof we naar een ander land gingen. We hadden bijna een paspoort nodig”.

Loop door Wigan en je begrijpt wat hij bedoelt. Hier geen kranen aan de horizon, zoals in Londen. Geen blinkende auto’s, geen mannen in pak, volle koffietentjes. Nergens briefjes met ‘kapper gezocht’ of ‘winkelpersoneel nodig’, zoals in de hoofdstad. Het uitzendbureau heeft twee vacatures: beide voor parttime schoonmakers, drie andere banen zijn in een andere stad. Hele rijen winkels staan leeg: de pizzeria is weg, de fish and chips-bakker ernaast ook. Het grillrestaurant daarnaast staat leeg. In Hallgate lijkt op ieder commercieel pand een ‘te huur’-bord te zijn geplakt. In Wallgate en Pottery Road is het rustig bij de talloze ketens met bouwvakkersbenodigdheden.

En dan gaat het nog niet eens heel slecht in Wigan; er zijn steden in het noorden waar de werkloosheid hoger en de leegstand groter zijn. En in niets is de stad te vergelijken met George Orwells beschrijving van vervuilende fabrieken, de mijnen en sloppenwijken in The Road to Wigan Pier (1939). Maar de armoede is misschien minder schrijnend dan in Orwells tijd, hij is nog altijd aanwezig.

De 68-jarige Jean, die haar achternaam niet wil geven, vertelt hoe zij en haar echtgenoot rondkomen van 198 pond per week. Ze somt de uitgaven op: gas, licht, water, verzekering, kijk- en luistergeld, huur. Haar echtgenoot is een oud-mijnwerker en krijgt vanwege zijn bronchitis 60 pond per maand extra. Daardoor zitten ze net boven de uitkeringsgrens. Alle armoede is relatief, zegt ze nuchter: „Ik begon op mijn vijftiende als doffer [degene die in de fabriek de gekamde katoen van de rol haalt, red.]. Voor jongeren nu is er helemaal geen werk.”

De huidige generatie hangt voor het Job Centre, het arbeidsbureau. Eens in de twee weken moeten ze zich daar melden, om de uitkering te behouden. John Simpson, een 24-jarige kok met twee jonge kinderen en één op komst, is al een paar jaar werkeloos. Hij klinkt moedeloos. Hij denkt erover zich om te scholen tot beveiliger. Niet dat dat zal helpen. Hij zegt: „Op iedere baan komen duizend man af. De meeste van mijn vrienden zijn werkloos.”

Het noorden van Engeland is – met Wales en Noord-Ierland – hard geraakt door de economische crisis en door de bezuinigingen. In eerste instantie vielen de klappen in de commerciële sector, toen banken minder gingen lenen en met name het klein- en middenbedrijf in de problemen kwam. Daarbovenop kwamen bezuinigingen bij lokale overheden, die juist gebieden die steunden op ambtenarenbanen hard trof – zoals de voormalige mijnregio’s.

„Voor iedere overheidsbaan die er in Londen bijkomt, verdwijnen er twee in het noorden”, zegt hoogleraar sociale geografie Danny Dorling. Het contrast was er altijd, maar is „verergerd door de crisis”. Het gevaar is dat niet alleen de economische vooruitzichten van noordelingen achterblijven, maar ook hun gezondheid, kansen op voortgezet onderwijs en dus hogere salarissen. En hij waarschuwt: „Alles wat anderhalf uur van Londen ligt, kun je inmiddels al als ‘het noorden’ beschouwen.”

De oplossing is volgens Dorling dat de overheid meer uitgeeft, bijvoorbeeld aan grote infrastructurele projecten en huizenbouw in het noorden. Vooralsnog vinden de grote projecten echter in het zuidoosten plaats. De hogesnelheidslijn die de regering tussen Londen en Birmingham wil bouwen, en Wigan zal aandoen, is op zijn vroegst in 2026 klaar.

    • Titia Ketelaar