Acteerkanonnen komen niet helemaal uit de verf

Filmmakers hebben een opmerkelijke voorliefde voor de stukken van de succesvolle toneelschrijver Tracy Letts. Eerder werden zijn Bug en Killer Joe verfilmd door William Friedkin, nu volgt August: Osage County – een film op veel grotere schaal en met grotere namen dan die twee voorgangers, al was Killer Joe wel het begin van de transformatie van Matthew McConaughey tot Oscarwaardig acteur. Letts is een schrijver die het meer moet hebben van een meedogenloze visie op de menselijke natuur en zwarte humor dan van originaliteit. Zijn stukken gaan over decadente, drinkende, verloren zielen in het diepe zuiden van de VS, die te dicht op elkaars lip zitten, en elkaar de tent uitvechten, respectievelijk vloeken.

Dat zijn overbekende types. Voor zijn grootste toneelsucces, het familiedrama August: Oscage County heeft hij nadrukkelijk geleend bij Tennessee Williams en zijn zuidelijke familiefamilies. Bij de overgang van theater naar bioscoop is het stuk met een uur ingekort, niet minder dan een derde, en dat is misschien de reden waarom een deel van de personages, en ze zijn met veel, weinig contouren krijgen. Ook lijkt regisseur John Wells te hebben geaarzeld of hij de film als een rechttoe-rechtaan drama wilde maken, dan wel als een duistere komedie. Nu hinkt de film over een familie die weer bij elkaar komt als de vader op een dag verdwijnt, te veel op twee benen.

Beter was het geweest om net als Friedkin eerder deed het groteske en bruuske van Letts’ wereld nog wat meer aan te zetten, want als serieus psychologisch drama komt de film tekort. Die wordt louter bevolkt door archetypen: de dominante, agressieve, verbitterde moeder (Meryl Streep), de zwakke, bleke vader (Sam Shepard) en drie dochters, die respectievelijk cynisch (Julia Roberts), muizig (Julianne Nicholson,de minst bekende van deze sterrencast, maar wel de beste) dan wel lichthoofdig (Juliette Lewis) overkomen. De vrouwen zijn voornamelijk karikaturen, in een film die juist niet voor een karikaturale aanpak durft te kiezen. En dat schuurt.

Blijft over: een aantal uitstekende, incorrecte oneliners van de grofgebekte matriarch Streep („Native Americans? Laten we de dinosaurussen Native Americans noemen”) en enkele fraaie, uitgesponnen theatrale scènes, waarin het verzamelde acteertalent los kan gaan, vooral in de lange dineerscène die negentien pagina’s van het script besloeg, waar de film eindelijk wat meer begint te leven. Maar een film met een kop en staart is er niet, en het geheel is minder dan de som der delen.