Ja, lokale partij is pas politieke participatie

Critici zien ze als versnipperaars. Maar lokale partijen worden juist groter, aldus Bert Euser.

‘Er is een explosie aan lokale partijen’, opende het Journaal 2 maart. Uit de genoemde cijfers bleek het te gaan om een toename van 870 naar 1.024 partijen in de afgelopen vier jaar, een stijging van 18 procent.

Dat is natuurlijk fors, maar kennelijk vroeg niemand bij het Journaal zich af waar die 870 partijen in de voorgaande jaren vandaan kwamen. En vergat men tegelijk maar te vermelden dat lokale partijen bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 en 2010 al bijna een kwart van de stemmen kregen.

De echte explosie van de aantallen had zich namelijk al eerder voorgedaan. Bij de verkiezingen van 2006, acht jaar geleden dus, toen er niet minder dan 304 nieuwe lokale partijen meededen. En vier jaar geleden was er sprake van een bestuurlijke explosie, toen het aantal lokale wethouders met niet minder dan 30 procent steeg, terwijl de gezamenlijke lokale partijen toch maar 2 procent stegen.

Tweede foute conclusie die het Journaal trok, is de ‘versnippering’ die zou optreden door al die nieuwe partijen. De werkelijkheid is dat de nieuwe lokale partijen door hun vaak grote stemmenpercentages het bestuur juist eenvoudiger maken. Ze zijn in de helft van de gemeenten (217) intussen de grootste partij. In iets meer dan 100 gemeenten hebben ze meer dan een kwart van de stemmen en in 40 gemeenten zelfs meer dan een derde.

Het gevolg is dat in een kwart van de gemeenten op dit moment een lokale partij samen met een enkele andere partij kan ‘regeren’, zonder enige vorm van gedoogsteun nodig te hebben. En dat is een trendbreuk, want de gemeentelijke bestuurscolleges werden door de versnippering van landelijke partijen juist steeds complexer.

De werkelijkheid is dus dat de lokale partijen juist de bestuurlijke versnippering tegengaan.

Het derde punt dat in de landelijke media steeds gemaakt wordt is dat deze ‘onervaren bestuurders’ niet in staat zouden zijn om de enorme budgetten uit de decentralisaties te beheren. Naar mijn mening is die angst gebaseerd op het tamelijk botte vooroordeel dat lokale politici gewoon dom zijn of op zijn best goedwillende amateurs. Dat zijn ze echter absoluut niet, integendeel. De meerderheid van de moderne lokale partijen is opgericht door mensen uit het bedrijfsleven, onder meer ondernemers zoals ik zelf. Mensen die gewend zijn om dingen goed door te rekenen voordat ze ergens voor tekenen. In de praktijk levert dat enorme voordelen op, zoals bij het Culturele Centrum in Alkmaar, waarvan de verbouwing niet voor 24 maar voor 4 miljoen uitgevoerd bleek te kunnen worden.

Maar als u dat niet van mij (‘slechts’ een lokale bestuurder) wilt aannemen, kunt u het ook lezen in het rapport van de WRR, geschreven door Pieter Winsemius, waarin de opkomende lokale partijen beschreven worden als een democratische basisbeweging van burgers.

Het gaat om een zeer fundamentele nieuwe politieke ontwikkeling, te onderscheiden van hypes als Leefbaar, waarin we stap voor stap een participatiedemocratie zien ontstaan.

Dat is nadrukkelijk iets anders dan het Haagse concept van een ‘participatiemaatschappij’, waarbij de inwoners van dit land worden verteld dat ze meer zelf moeten gaan doen, maar dan wel op de manier die Den Haag voorschrijft.

In de participatiedemocratie nemen de inwoners van een gemeente gewoon zelf weer het beheer van hun eigen omgeving over, hebben ze werkelijk invloed op de kosten van een gemeentehuis, de inrichting van het centrum, de locatie van de sportvelden, enzovoort.

Kortom, de lokale partijen doen echt wat de afdelingen van landelijke partijen alleen maar pretenderen te doen, opkomen voor de belangen van hun inwoners. Geen wonder dat er steeds meer lokale partijen komen en dat ze steeds groter worden. En jammer dat ze in Den Haag met zo veel vooroordelen worden bekeken.

    • Bert Euser