Han Kerckhoffs brengt taal van Shakespeare met juiste dictie

Een hoorcollege vermomd als theater, ook dat schreef Shakespeare. Julius Caesar (1599), de eerste van zijn vijf grote tragedies, kenmerkt zich in de eerste bedrijven door redeneerkunst en statische bespiegelingen. De spelers zijn verwikkeld in een samenzwering tegen veldheer Caesar, die een tiranniek leider dreigt te worden. In de opvoering van Het Zuidelijk Toneel verbeeldt een in het zwart gestoken fanfarekorps de dreigende dictatuur. Het decor bestaat uit een imposante constructie van tralies die associaties oproept met het Colosseum, bouwwerk van macht.

Cas Enklaar in de titelrol speelt een ongrijpbare Caesar, grimmig, soms met humor. Regisseur Mirjam Koen toont de moord op hem gestileerd: Enklaar stapt uit zijn jas en zijn hondse vijanden verscheuren het kledingstuk. Het decor raakt uit zijn voegen en stort ineen.

Han Kerckhoffs brengt de taal van Shakespeare, als een van de weinigen, met juiste dictie en helderheid. In de grote monoloog tot het Romeinse volk over individueel belang versus landsbelang bereikt Kerckhoffs grote hoogte: zelfs al zijn zijn woorden retorica, met zijn slimme taal weet hij óók de toeschouwers te winnen.

Gelukkig treft de regie in de laatste bedrijven overtuigend de kern: na Caesars dood ontaardt de maatschappij. De bestaande orde is met grof geweld vernietigd. Geheimzinnig is Enklaar die als een dolende schim Brutus terroriseert, tot de moordenaar vertwijfeld zelfmoord pleegt. Er is met al dit geweld niets gewonnen.

    • Kester Freriks