Duits hof: Europees noodfonds is niet in strijd met de grondwet

De ingang van het Constitutionele Hof in Karlsruhe. Foto Reuters/Kai Pfaffenbach

Het Duitse Constitutionele Hof in Karlsruhe heeft vanochtend bevestigd dat het Europese noodfonds, dat in 2012 is opgericht, niet strijdig is met de Duitse grondwet. Dat schrijft persbureau AFP.

In september 2012 deed het hof ook al een uitspraak over dit fonds, voluit Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), dat over 700 miljard euro beschikt. Het is anderhalf jaar geleden opgericht om eurolanden of banken in nood te helpen. Vanochtend herhaalde het hof het oordeel dat dit fonds niet strijdig is met de rechten van de Bondsdag, zolang het lagerhuis van het parlement voldoende toezicht heeft over de macht van het ESM. Dit oordeel is definitief.

Duitsers wilden minder macht buiten lidstaten

In totaal 37.000 Duitsers hadden het hof om een oordeel gevraagd omdat zij vonden dat door de instelling van het fonds te veel macht buiten de lidstaten kwam te liggen.

De rechters waren van mening dat het fonds (van 500 miljard euro aan toezeggingen door eurolanden) wettig is, maar legden onder andere de beperking op dat van Duitsland geen grotere bijdrage mag worden gevraagd dan 190 miljard euro, zonder toestemming van de Bondsdag.

‘Fonds is essentiële schakel in crisismaatregel’

Deze definitieve uitspraak is niet onverwacht, maar wel belangrijk omdat het fonds een essentiële schakel is in een eurocrisismaatregel die zeer omstreden is, zo legde Hanneke Chin-A-Fo gisteren uit in NRC Handelsblad:

“Het programma van de Europese Centrale Bank (ECB) om in geval van nood onbeperkt staatsobligaties van probleemlanden te kunnen opkopen (Outright Monetary Transactions, OMT) is omstreden. Toen ECB-president Draghi dit programma anderhalf jaar geleden lanceerde, kort na zijn woorden dat de ECB zou “doen wat nodig is” om de euro te redden, verbond hij daar voorwaarden aan. Zo komt een land alleen in aanmerking voor steun als het eerst hulp vraagt van het noodfonds. Zonder noodfonds geen OMT dus.”

    • Annemarie Coevert