De koning en de fiscus

FOTO ANP

Een beroep op het gelijkheidsbeginsel is altijd een interessante manier om een ogenschijnlijk vanzelfsprekende uitzonderingspositie ter discussie te stellen. Waarom betaalt de koning bijvoorbeeld geen belasting en gewone burgers wel?

Een man maakt bezwaar tegen zijn belastingaanslag omdat hij vindt dat de in de grondwet vastgelegde belastingvrijstelling voor (bepaalde) leden van het Koninklijk Huis op grond van het gelijkheidsbeginsel ook voor hem moet gelden.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant overweegt dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel alleen slaagt als het gaat om twee vergelijkbare gevallen, of als twee ongelijke gevallen onevenredig ongelijk worden behandeld.

Vergelijkbaar zijn de man en de koning in elk geval niet, omdat hij geen lid is van het Koninklijk Huis en geen uitkering van het Rijk ontvangt. Dan de tweede categorie. Daarover zegt de rechtbank dat de belastingvrijstelling als doel heeft „de geleidelijke afkalving van het oorspronkelijke vermogen van de koning te voorkomen” en zo zijn financieel onafhankelijke positie te waarborgen. Voor deze regeling, die uit eind jaren zestig stamt, is aansluiting gezocht bij andere westerse monarchieën.

Bovendien kan een duidelijke scheiding tussen de functionele kosten van het koningschap en persoonlijke uitgaven niet op verantwoorde wijze worden gemaakt, aldus de rechter. Bij de man kan dit wel en er is ook geen evidente reden waarom hij financieel onafhankelijk zou moeten zijn. Alleszins redelijke afwegingen, vindt de rechtbank, om een onderscheid te rechtvaardigen. De man moet net als iedere gewone burger inkomstenbelasting betalen.