Dan zal die partij mij natuurlijk verraden

Bij het stemmen dreig ik steeds dezelfde denkfout te maken: door mijn stem te zien als een akkoordverklaring met een politiek programma. Het voelt als een onvrijwillige overgave: deze partij kies ik, dus daar moet ik het (als kiezer) de komende jaren mee eens zijn, in de gemeenteraad, de Tweede Kamer, Provinciale Staten. Zo bezien zal die partij mij natuurlijk verraden – door compromissen te sluiten of van standpunt te veranderen, al dan niet op goede gronden. Bovendien pleeg ik een beetje verraad aan mezelf – zo erg ben ik het nou ook weer niet eens met de partij waarop ik zal stemmen. (Mijn werk als politiek journalist maakt de weerstand des te groter.) Als ik zo denk, zal ik deze week weer eens niet van harte te stemmen. Als kiezer kan ik me nooit bevrijden van een mengeling van burgerzin en tegenzin. Partij, denk ik, ontleen niet te veel aan mijn stem!

Nu die denkfout. U heeft die vast allang door. Want voor wie is stemmen nog wel een kwestie van overgave, behalve voor politici en enkele die-hards? Kiezerstrouw is niet voor niets een vrijwel verdwenen verschijnsel. Wat betekent onze stem – áls we hem uitbrengen?

Ik dwing de kiezer in mij terug naar de basis: stemmen is nu eenmaal een efficiënte short cut om beslissingen uit te besteden. We klagen graag over een gebrek aan splijtende issues in de lokale politiek, over onzichtbare lokale politici. Maar als de kiezer het zelf druk krijgt met lokale beslissingen, is de interesse nihil. Aan experimenten met lokale referenda waagt vrijwel niemand zich meer. Hier en daar wordt gepleit voor het stutten van de raad met ad hoc burgerpanels, of internetconsultatie. Best. Maar ik vind het een geruststelling dat veel saaie maar noodzakelijke beslissingen genomen worden in een raad waar verschillende geluiden vertegenwoordigd zijn.

Nu, hoe moet ik kiezen, zonder mezelf op voorhand al teleur te stellen? Stemmen is een intiem moment – dat doe je zonder campagnes, analyses en berekeningen op het netvlies. Een selfie in het stemhokje is al een schending. Ten eerste: programma’s zijn dus niet heilig. Ik beschouw ze als een goed spoorboekje voor de kandidaten zelf, maar voor de kiezer alleen als een lijstje met indicaties en randvoorwaarden – doelen waar je, als je het er niet mee eens bent, in elk geval mee moet kunnen leven.

Uiteindelijk schenk je als kiezer je vertrouwen aan iemand. Dat kun je lukraak doen (want van een bepaalde partij bijvoorbeeld), of welbewust. Aan mensen die je kent, of die je van afstand als betrouwbaar en verstandig inschat. Bio’tjes zijn hiervoor zeker zo belangrijk als programma’s. Hier komt een extra dimensie: je stem uitbrengen is ook een belofte aan jezelf. Raadsleden zijn misschien (te) onzichtbaar, maar niet onaanspreekbaar. Mijn stem stijgt in mijn eigen achting als ik hem zie als een optie. Ik wijs een raadslid aan voor mezelf: die is van mij. Als er eens iets aan de hand is, moet ik díe hebben – iets om te vragen, klagen. Nu is mijn stem niet langer overgave, maar toeëigening: ik hoef het niet eens te zijn, als ik mijn politicus maar weet te vinden. Toegegeven, kandidaten gedragen zich vaak niet zo. Ze zijn op pad als zendelingen van het eigen gelijk. Dat vind ik vermoeiend, het scherpt mijn weerstand. Maar ik ben bereid tot enig begrip. Net als media benaderen politieke partijen verkiezingen heel anders dan de kiezer. Uitslagen worden opgevat als bevestiging of als sanctie van het eigen politiek optreden. Ook dat is een kwestie van toeëigening: er liggen immers geen harde, objectieve boodschappen besloten in kiezersgedrag, zeker niet bij zo’n versnipperde verkiezing voor 390 gemeenten tegelijk, met een keur aan lokale partijen. Dat maakt politieke interpretaties niet onzinnig. Er zijn tendensen, kwesties van krediet en verval, onderlinge verhoudingen die schuiven, concrete gevolgen. Maar dat is allemaal weer voor buiten het stemhokje.

    • René Moerland