Begin bij Giphart en je komt uit bij Goethe

Opgroeien gaat in alle tijden hetzelfde // Zie Ronald Gipharts selectie van honderd verhalen // En lees daarna een nieuwe soepele vertaling van Goethe, want die gaat net wat dieper

foto anp

Het is best een lange weg van Mano Bouzamour naar Johann Wolfgang Goethe. Een fragment uit De belofte van Pisa (2013) toont de verhoudingen in het leven van Sam, een jonge Amsterdammer die in twee werelden leeft, of misschien wel in drie. Hij bluft in de namiddag Amsterdams-Marokkaanse straatschoffies af die hem honen om zijn Mozart-ringtone. Even later gooit hij thuis zijn Adidasjack op de vleugel en dezelfde avond nog dineert hij met zijn vriend Ysbrand en diens ouders in het Okura-hotel. (Daarna halen ze Turkse pizza in de moskee om de tweesterrenhonger te stillen.)

Dan hoop je maar dat Sam ook een beetje zijn best blijft doen op de piano en dat zijn vriend Ys zich staande houdt tussen figuren als Duivel, Grizzlybeer en een hele trits Mo-varianten (Mo-geflipte, Mo-mooiboy, Eskimo). Want: ‘Elke aanleg is belangrijk en moet worden ontwikkeld. De een bevordert alleen het schone, de ander alleen het nuttige, en pas samen vormen ze een mens.’ Dat leren we dan weer van Goethe.

Mensvorming. Dat had ook in de titel kunnen staan van Ronald Gipharts samenstelling De Nederlandse coming of age literatuur in 100 verhalen. Opgenomen auteurs als Frederik van Eeden en Lodewijk van Deyssel zullen niet geweten hebben dat ze over coming of age schreven, al zou Van Deyssel zich ongetwijfeld hebben geamuseerd met ‘het binnenbroekse’ als aanduiding van een van de prominente thema’s in het boek.

Terug naar de oer-coming of age

En na deze 1.100 bladzijden kun je meteen verder in de net verschenen, monumentale vertaling van Wilhelm Meisters leerjaren, het boek dat de Bildungsroman als genre schiep. Een roman ook die zijn reputatie in de eerste plaats dankt aan zijn cultuurhistorische betekenis. Het boek beschreef de ontwikkeling van de jonge Wilhelm Meister – de koopmanszoon die wordt voortgedreven door artistieke dromen en zich overgeeft aan het toneel. Het boek heeft alle trekken van een avonturenroman, maar de verwikkelingen worden verbonden met de psychologie van de hoofdpersoon.

Het is niet zo’n massief werk als je misschien op basis van zijn intellectuele reputatie zou vermoeden. Goethe leidt je soepel door het leven van zijn held, die hij begeleidt met liefdevolle ironie. Die komt mooi tot uiting in de kraakheldere vertaling van Ria van Hengel. Bijvoorbeeld in de passages waarin het jonge meisje Mignon een rol speelt. Zij is door Wilhelm bevrijd uit een akelig leven en overlaadt haar nieuwe vaderfiguur met meisjesliefde, die in de loop der tijd in onschuld afneemt.

Geamuseerd schrijft Goethe dan: ‘Nu wij het toch over haar hebben, moeten we ook vertellen dat ze sinds enige tijd onze vriend nogal eens in verlegenheid bracht. Als ze kwam of ging, goedemorgen of goedenacht zei, sloot ze hem zo stevig in haar armen en kuste ze hem zo vurig dat de heftigheid van dat opgroeiende wezen hem vaak bezorgd en bang maakte.’ Het opgroeien van Mignon aan de hand van Wilhelm werkt als een Bildung binnen de zijne – en het verhaal is hartverscheurend.

En is er eigenlijk iets veranderd?

Wanneer je Wilhelm Meisters leerjaren naast de honderd van Giphart legt zijn de decorverschillen evident, maar veel van de grondtonen van de betere Bildungsverhalen zijn er wel degelijk in te vinden. De volgende Goethe-gedachte past bijvoorbeeld naadloos op de liefdesverrukking van een boek als Terug tot Ina Damman van Simon Vestdijk: ‘Gelukkige jeugd! Gelukkige tijden van de eerste liefdesverlangens! De mens is dan net een kind dat zich urenlang vermaakt met de echo. Hij neemt het gesprek helemaal alleen voor zijn rekening en is al tevreden met de conversatie wanneer de onzichtbare gesprekspartner slechts de laatste lettergrepen van de uitgeroepen woorden herhaalt.’

De Nederlandse coming of age literatuur in 100 verhalen is een geleidelijke reis het verleden in. Het begint bij jonge hedendaagse schrijvers van wie de Bildung in volle gang is, terugtellend tot 1889. Giphart heeft eerst geselecteerd op onderwerp en pas daarna op reputatie (of kwaliteit) van de auteur.

Die keuze komt de eenheid van het boek ten goede, maar het geeft de parade van jongerenverhalen ook iets monotoons. Dat wordt versterkt door de realistische verteltrant van vrijwel alle verhalen: de momenten dat je op stilistisch vuurwerk stuit, zijn relatief gering – al staat Hafid Bouazza er gewoon in.

Je wordt wel nadrukkelijk meegenomen naar alles wat sinds Goethe niet is veranderd. Steeds weer duiken schoolklassen op, en andere mensenverzamelingen waar je niet bij wilt horen maar door wie je wel bewonderd wilt worden. Bijtende meisjes, duinpannen en jongensruzies zijn er ook. En zo er zijn meer tijdloze noties: van buitenseks krijg je pijnlijke billen, al bij de oude feministe Anja Meulenbelt, en nog bij de macho Eus van Özcan Akyol.

Nooit denken ze aan het doel

De samensteller nam een lange lijst op van auteurs die hij moest laten afvallen omdat de ruimte beperkt was of omdat er geen goed fragment uit hun boeken te lichten was: zo hebben we een Bildungsbloemlezing zonder Bordewijks Katadreuffe en Reves Van Egters. Dat is toch een beetje gek, maar: het nut van zo’n verzameling zit vooral in de ontdekking van het onbekende. En, in dit geval, een mooie staalkaart van de mogelijkheden (en beperkingen) van de jongste generaties auteurs.

Echt opwindend wordt het achterin, waar François Pauwels (1888-1966) staat, met een fragment uit Griffioen (1946), een schitterende scène in een theaterkleedkamer. ‘Alles leek hier op een gestoorde verkleedpartij. Tegen deze onechtheid plaatste hij de weerstand van een opzettelijke nuchterheid. Iedere gevoelsuiting was solidariteit met zijn omgeving.’

De jonge Abraham kijkt daar gefascineerd naar een zich ontkledend meisje, terwijl tegelijkertijd zijn moeder – haar halve leven actrice – onwel wordt. Bij Goethe: ‘Druk bezig in hun ledigheid schenen ze aan hun beroep en hun doel absoluut niet te denken. Over de poëtische waarde van een stuk hoorde hij hen nooit praten of oordelen, positief noch negatief. De enige vraag was altijd: wat zal het stuk doen? Is het een successtuk?’

Goethe: goed hè?

Dat lijkt alleen maar sterker geworden. Terwijl Wilhelm Meister zich tot het uiterste inspande om aansluiting te vinden met wat er vóór hem aan grote kunst is gemaakt: ‘Alleen werken van goede smaak, schrijvers en critici, werden als bekende vrienden bij de uitverkorenen gelegd.’

Zijn wens tot aansluiting bij het verleden is vergeefs. Die onmogelijkheid geeft aan Wilhelm Meisters leerjaren een constante spanning, die de lezer uiteindelijk in zijn ban houdt.

Die spanning is in Gipharts keuze slechts zelden te vinden: hij verzamelde in de eerste plaats jeugd zoals jeugd bedoeld is. Niet zoekend naar wat er al was, maar naar wat er zou kunnen komen. In deze verhalen worden de karakters gedreven door het verlangen naar de lentezon.

    • Arjen Fortuin