Niemand maakt zich druk om water

Nederlanders beseffen te weinig hoe gevaarlijk het water is, vindt de Oeso. Het kabinet wil de waterschappen opheffen, maar minister Schultz raadt dat ten zeerste af.

Wilnis kwam in de zomer van 2003 blank te staan toen een uitgedroogde dijk het begaf. Foto’s Rien Zilvold

De ellende is niet ver weg en ook nog eens vaak op tv te zien. Wekenlange overstromingen in Groot-Brittannië, Zuid-Duitsland, Frankrijk, Centraal-Europa. Duizenden ondergelopen huizen, doden, een miljardenschade. Toch beseffen de meeste Nederlanders niet dat ze zelf óók in een risicogebied wonen, stelt de Oeso – de club van rijke industrielanden – vandaag in een rapport. Zonder waterkeringen zou 60 procent van het land regelmatig overstromen, een gebied waar negen miljoen mensen wonen en werken. Tijd voor een „wake-upcall”, zegt minister Schultz van Haegen (Infrastructuur, VVD): „Mensen moeten nadenken wat ze moeten doen als het misgaat.”

Leven we te zorgeloos?

„Uitblijven van overstromingen is niet vanzelfsprekend. Het kan altijd misgaan. Andere landen zijn veel beter in evacuaties. Amerikanen weten wat ze moeten doen, Japanners ook. Japanse kinderen trainen een paar dagen per jaar om te leren wat ze moeten doen bij aardbevingen. Ze leren hoe ze zich moeten beschermen, hoe ze drie dagen in leven kunnen blijven. Wij houden ons daar niet mee bezig. Onterecht.”

Hoe komt dat?

„Er zijn steeds minder mensen die de watersnood uit 1953 hebben meegemaakt. De overstromingen in 1993 en 1995 verdwijnen uit ons geheugen. Dat is niet zonder risico’s. Als iedereen denkt ‘het loopt vanzelf wel’, verdwijnt de interesse. Dat ondermijnt sluipenderwijs het draagvlak voor investeringen in waterveiligheid.”

Die leggen het af tegen andere plannen?

„Sinds vorig jaar hebben we een Deltafonds voor onder meer waterveiligheid. Daar gaat jaarlijks zo’n miljard euro in. Maar politiek gezien concurreert water met allerlei leuke dingen, nationaal én lokaal. Het is leuker een gymhal te bouwen waar straks staat ‘dit heeft deze wethouder gerealiseerd’, dan een riool te verbreden.”

Een grote ramp zou iedereen wakker kunnen schudden?

„Dat zeggen de waterschappen ook altijd: Here, geef ons heden ons dagelijks brood, en af en toe een watersnood. Maar nee, dat liever niet.”

Wat dan wel?

„Dit voorjaar komt er een grote campagne waarin we laten zien wat we allemaal doen. Dit najaar komt er een app op postcodeniveau. Dan zie je op de plek waar jij woont wat er gebeurt bij een dijkdoorbraak en wat je dan moet doen. Neem de Randstad. We weten dat we 15 procent van de mensen op tijd weg kunnen krijgen bij een doorbraak aan de kust. Dat is heel erg weinig. De rest van de mensen moet je duidelijk maken dat ze een hoger gelegen plek moeten zoeken. En dat ze het daar ook een tijdje moeten kunnen uitzingen.”

Schultz is blij met het Oeso-rapport, dat haar vandaag is overhandigd. „We doen het hartstikke goed, ook internationaal gezien. We krijgen complimenten voor de excellente inrichting van ons systeem.”

De Oeso zegt ook dat waterschappen daarin een essentiële rol spelen. Maar in het regeerakkoord van VVD en PvdA staat juist dat die verdwijnen. Hun taken worden ondergebracht bij de nog te vormen vijf landsdelen, opvolgers van de provincies.

Steunt u het regeerakkoord of de Oeso?

„Minister Plasterk gaat eerst met de landsdelen aan de slag. De waterschappen hebben niet zijn prioriteit. Hij heeft beloofd goed naar het Oeso-rapport te kijken om te zien of onderbrengen van taken bij de landsdelen wel het verstandigst is.”

Dat klinkt als: opheffen is van de baan.

„Ik ga er nu niks mee doen. Ik zie geen aanleiding om bestuurlijke of organisatorische veranderingen in het waterbeheer door te voeren. De Oeso geeft ons een dikke pluim. Als iets goed is, moet je er niet aan morrelen.”

De waterschappen blijven dus functioneren zoals ze nu doen?

„Wat mij betreft wel. Het opheffen was vanuit het oogpunt van efficiency. Met de huidige constructie kan je die efficiencyvoordelen ook behalen.”

In het regeerakkoord staat ook dat de 23 waterschappen moeten fuseren tot tien à twaalf. Staat u daar nog achter?

„Ik vind het belangrijk dat ze blijven zoeken naar manieren om doelmatiger te werken. Ze kunnen zelf bekijken waar opschaling nuttig is. Een zekere kleinschaligheid is ook wel prettig als je het hebt over herkenbaarheid. Vroeger had je heel veel waterschappen en wist iedereen wat ze deden. Nu zijn ze heel groot en staan ze op grote afstand van de burger. Niemand ziet meer hoe belangrijk het is wat ze doen. Uit veel polders worden dagelijks zwembaden vol water gepompt. Wij zien alleen dat we droge voeten hebben.”