Opinie

    • Floor Rusman

Geen zin om te zorgen

Terwijl bekvechtende politici het nieuws deze weken domineren, gaat de hervorming van de zorg in rap tempo door. Afgelopen maandag stuurde staatssecretaris van VWS Martin van Rijn het wetsvoorstel voor de Wet Langdurige Zorg naar de Tweede Kamer. In Buitenhof gaf hij gisteren een toelichting.

Ouderen moeten zo lang mogelijk thuis blijven wonen; tegelijk wordt er gekort op de huishoudelijke hulp. Dit is volgens Van Rijn geen probleem: gemeenten zullen nu eerst bekijken wat mensen zelf nog kunnen, eventueel met hulp van familie, buren en vrienden. Van Rijn wil een ‘betrokken samenleving’, waarin mensen ‘meer voor elkaar zorgen’. Hoewel naasten niet verplicht worden tot mantelzorg, heeft Van Rijn hoge verwachtingen van de sociale omgeving.

Ik moest door Van Rijns woorden denken aan mijn grootouders. Zij namen in de jaren vijftig een oom en tante van mijn oma in huis. Tien jaar lang maakte mijn oma ’s middags een maaltijd voor hen, om daarna te gaan koken voor haar man en zeven kinderen. Deze zorg vond zij vanzelfsprekend. Toen mijn grootouders zelf te oud werden om thuis te wonen, waren ze niet afhankelijk van familieleden: ze konden terecht in een bejaardentehuis.

We leven niet meer in de tijd van mijn oma. Zorgen voor naasten is nu vaker een nobele daad in plaats van een vanzelfsprekendheid. Natuurlijk, het is gebruikelijk om je hulpbehoevende ouders regelmatig te bezoeken, maar intensieve zorg en huishoudelijke hulp laten we liever aan de staat over.

Het kabinet heeft hier moeite mee. „Naar elkaar omzien was vroeger heel normaal”, zei Van Rijn vorig jaar in een andere Buitenhof-uitzending. Hij klonk een beetje verongelijkt, alsof hij de samenleving verweet niet meer normaal te zijn. Maar wat is normaal? Er is sinds de jaren vijftig nogal wat veranderd. Secularisering, individualisering en de opbouw van de verzorgingsstaat hebben geleid tot een heel andere kijk op rechten en plichten. Daar komt nog bij dat we minder dan vroeger in kleine gemeenschappen wonen (wie kent zijn buren nu goed?) en dat veel vrouwen zijn gaan werken, waardoor ze minder tijd hebben voor mantelzorg.

Het ministerie ziet dit zelf ook in. In het wetsvoorstel voor de Wet Langdurige Zorgstaat: ‘Betrokkenheid kan niet alleen gestimuleerd worden via formele wetgeving. Verandering van cultuur speelt een veel belangrijkere rol.’

Maar hoe verander je een cultuur? Tot nu toe is Van Rijns strategie het morele appèl: zeggen dat zorgen voor elkaar ‘heel normaal’ is en dat hij ‘nog weinig mensen is tegengekomen die weigeren’.

Ik ben benieuwd wat er straks gebeurt als er mensen zijn die gewoon geen zin hebben in het geven van mantelzorg, zonder een goede reden als ‘aantoonbaar geen tijd’ of ‘te ver weg’. Hoe vrijblijvend zal Van Rijns appèl zijn als betrokkenheid niet vanzelf ontstaat?

    • Floor Rusman