Zestien ogen

Fictie // Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Vandaag een fragment uit hét boek van dit moment: Meester Mitraillette van Jan Vantoortelboom.

De kerkklok luidde zes keer. Het was 1 september. Mijn eerste werkdag. Helaas was ik nog vermoeider dan toen ik de avond voordien in mijn beddenbak kroop. Ik moest me vermannen en opkalefateren. Iedereen weet dat een eerste indruk de slag al half binnenhaalt. Mijn huid en haar voelden vettig aan. Een zonnestraal drong als een stille stormram de kamer binnen en in de klaarte van de kamer zag ik opeens dat een groot stuk muur groen was van de schimmels. Weerzinwekkende gedrochten. Waarom had ik dat niet eerder gezien? Het was nog vroeg, dus ik besloot onmiddellijk op zoek te gaan naar water en een stuk doek of een borstel om die gepantserde draken van de muur te schrobben. Ik trok mijn schoenen aan en liep over het paadje, dat ondertussen geleek op een wildwissel, naar de handpomp. Tot mijn ergernis werkte ze niet, al kon ik na vijf minuten zwengelen aan de stang een pruttelend zuiggeluid horen. Vloekend ging ik terug naar binnen, in het besef dat ik me zonder te wassen naar school zou moeten begeven, waar, ik wist wel zeker, de zusters en zelfs de jongens mijn slordige verschijning zouden beschimpen. Gelukkig had ik met het geld van vader en moeder een nieuw kostuum gekocht. Dat zou de schade enigszins beperken. Door de zenuwen kreeg ik geen hap door mijn keel. Strijdvaardig vertrok ik, ongewassen, op een knorrende maag, naar de jongensschool.

I k wist dat ze al zaten te wachten. Voordat ik binnenging harkten mijn vingers snel door de pieken van mijn haar, want ik had een vermoeden dat de windstoten op weg naar school er een kunstige kluwen van hadden gemaakt. Een insect landde op mijn voorhoofd. Een langpootmug. Ik pakte het diertje voorzichtig tussen duim en wijsvinger, ervoor wakend dat ik het zou pletten, en gooide het in de lucht. Ik dankte een of andere macht dat ik het beest tijdig had verwijderd en zo de ernst van mijn entree had kunnen vrijwaren. Een fijn lijntje zweet liep langs mijn slaap en verdwaalde in het bos van mijn bakkebaard toen ik de deur opende.

Op dat moment luidden de kerkklokken. Ik duwde de deur in het slot en bleef nog even staan, onwennig in mijn kostuum. Zestien ogen staarden me aan: uitdagend, verlegen. Marcus glimlachte. Vreemd hoe het voorkomen van die jongen rust en bescheidenheid uitstraalde en hoe dat bij mij al vanaf de eerste momenten ontkiemde in een gevoel van verbondenheid. Ik wandelde naar de lessenaar en behoedde mij ervoor over de stenen trede te stuiken. Hun hoofden volgden me. Ik liet mijn lesboeken boven op de lessenaar met een indrukwekkende plof neerkomen en wees met mijn wijsvinger naar de gebarsten ruit.

‘Daar gaan we het gauw over hebben’, zei ik. ‘Maar eerst wil ik weten wie jullie zijn. Ieder gaat om beurt recht staan en dan wil ik vier dingen horen. Eén: voornaam. Twee: achternaam. Drie: het beroep van je vader. Vier: je totale procent van vorig jaar.’

‘Wuk?!’ vroeg de pezige slungel met het vernestelde haar op de tweede bank.

Ik twijfelde. Zou ik naar hem toe gaan en hem een klets tegen zijn oren geven voor zijn onbeleefde vraag, of zou ik doen alsof ik het niet had gehoord? Ik legde nogmaals uit wat ik wilde horen, mijn stem strenger dan voorheen.

‘Wuk?!’ klonk het opnieuw.

Ik stapte de trede af, hield stil naast zijn bank, beval hem recht te staan. Hij aarzelde, maar stond toch op.

‘Jef. Schyttecatte. Loonwerker. En dat laatste wat we moesten zeggen verstond ik niet.’

Jef was de langste van de klas en zag er taai uit. ‘Meneer Schyttecatte’, herhaalde ik traag en ernstig. ‘Werkelijk waar een treffende naam.’

D e jongens gniffelden. Jef keek me wantrouwig aan. Hij wist niet wat ging volgen en of ik wel of niet de spot met hem dreef. De confrontatie met de taaiste van de troep. Een schoolvoorbeeld. Zijn schrift lag op zijn bank. Toen ik mijn hand oplichtte om het te pakken maakte hij een beweging die mijn plannen dwarsboomde: hij zette bijna ongemerkt zijn voeten uiteen en liet zijn hoofd wat schuin zakken in mijn richting. Het drong tot me door dat hij een pandoering verwachtte. Had hij daar zijn reputatie op gebouwd? Aan mij om dit verwachtingspatroon te doorbreken, want – en daar wilde ik mijn leven om verwedden – hij zou geen kik geven als ik hem sloeg. Hij keek me aan: strakke kaaklijn, zijn lippen op elkaar geperst, als een bokser. Bovendien wilde ik niemand slaan.

‘Wat betekent “wuk” eigenlijk?’ vroeg ik.

Weer was hij uit het lood geslagen. Ook de anderen keken me verbaasd aan. Na een korte stilte zei hij hakkelend: ‘Wuk… euh… wilt zegge da… euh… ik nie goed verstond

wat da laatste was da’k moest zeggen.’

‘Aha. Wel, meneer Schyttecatte. Je hebt mij een West-Vlaams woordje geleerd. En hoe zou je dat op een beleefde manier kunnen vragen aan iemand die geen West-Vlaams spreekt en dus niet weet wat “wuk” feitelijk betekent?’

Hier moest hij een poos over peinzen. Ik keek om me heen en zag de twinkeling in Marcus’ ogen.

‘Me dunkt dat meneer Schyttecatte het antwoord op mijn vraag niet weet’, zei ik na enige tijd, niet onvriendelijk, tegen de klas. ‘Is er hier iemand die weet wat hij wel zou moeten vragen? Steek gerust je vinger op.’

Marcus stak zijn vinger op, maar ik koos de vieze, bevlekte vinger van de jongen twee banken achter hem. Niet dat ik het Marcus niet gunde, maar om ervoor te zorgen dat er geen wrok van Jefs kant tegen Marcus zou ontstaan, wilde ik iemand anders het woord geven.

‘Wablieft!’

‘Heel juist!’ zei ik. ‘En hoe luidt de naam van de jongen die het antwoord zo zonneklaar heeft uitgeroepen?’

‘Rozjee!’ zei hij, fier als een gieter.

I k zag dat Jef nu minder gespannen stond, een beetje radeloos, omdat hij geen afranseling kreeg en hij zijn positie van leider van de roedel niet kon aansterken. ‘Opnieuw! Nu correct, meneer Schyttecatte!’

Weer gegniffel. Ik lette erop dat de toon van mijn stem vriendelijk, maar de blik in mijn ogen scherp bleef. Hij wilde snel gaan zitten. Deze act mocht ook niet te lang duren, want anders zou het zich tegen mij keren.

‘Jef. Schyttecatte. Loonwerker. Zevenenvijftig procent.’

‘Goed! Ga zitten!’ Ik knikte naar Roger.

‘Rozjee! Malfait! Boer! Drieëntachtig procent!’

‘Walter. Soete. Facteur. Vierenvijftig procent.’

De tweeling groef wanhopig in hun herinnering, maar ze konden hun procent niet meer terugvinden. Beschaamd keken ze elkaar aan, sloegen hun ogen neer toen ze aan de beurt waren.

‘Marcus. Verschoppen. Boer. Vijfennegentig procent.’

Ik sloot de rangen. Nu kon de eerste les echt beginnen en ik besloot de gebroken ruit maar te laten voor wat die was.