Zeg jonge academici: de kans op een universitaire carrière is miniem

Barend van der Meulen, die bij het Rathenau Instituut het wetenschapsbeleid onderzoekt, leest deze rubriek altijd met interesse. Hij vindt het belangrijk, „verhalen waarin mensen vanuit hun eigen ervaring over hun situatie vertellen.” Maar: „het is ook goed om af en toe van perspectief te wisselen en je af te vragen hoe die situatie ontstaan is.”

Daarom dook Van der Meulen nog eens in de gegevens die het Rathenau Instituut vorig jaar op een rij zette over de loopbanen van jonge wetenschappers. Drie grote lijnen ziet hij.

Eén: er kwamen de laatste tien jaar steeds meer promovendi bij. Hun aantal steeg met 30 procent. Twee: die doen er steeds langer over om na hun promotie een vaste positie aan een universiteit te veroveren. Gemiddeld lukt dat pas op hun 37ste, nadat ze eerst drie of vier tijdelijke postdocbanen hebben gehad. En drie: het lukt lang niet altijd, want het aantal vaste posities steeg de laatste tien jaar niet. Sterker, dat daalde verhoudingsgewijs met 15 procent. Zo moet een groot deel van die hardwerkende, tijdelijke onderzoekers zijn heil dus uiteindelijk toch buiten de wetenschap zoeken.

Die situatie is niet per se ongunstig. Zeker niet voor universiteiten en onderzoeksinstellingen. Zij kunnen bij sollicitatieprocedures uit een grote vijver vissen. Van der Meulen: „Heb je twintig kandidaten waaronder twee hele goede, dan denk je meestal lang na over de keuze. Heb je er honderd of tweehonderd waaronder twintig zeer goede, dan is de kans op een verkeerde keuze beperkt. Het maakt niet zoveel meer uit wie van die twintig je kiest.”

Maar ja, omgekeerd geldt dus ook: een deel van de andere kandidaten was net zo goed. „En die mensen hebben het gevoel dat ze ten onrechte zijn afgewezen. Vaak na jaren van keihard werken, misschien een periode in het buitenland en van zoveel mogelijk publiceren en subsidies binnenhalen, want dat wordt van je gevraagd in de strijd om een vaste plek.” Het is een internationaal probleem, vooral in de snel groeiende biomedische wetenschappen.

Doen onderzoeksinstituten en universiteiten het dus verkeerd? Van der Meulen: „Niet als je hun prestaties in onderzoek en onderwijs bekijkt. Die zijn niet beneden peil. Integendeel. Tegelijk zijn het natuurlijk publieke instellingen. Als je weet dat meer dan de helft van je jonge onderzoekers eruit zal moeten stappen en je bereidt ze daar niet op voor, dan is de vraag of je dat maatschappelijk kunt verantwoorden.”

Maar, zegt hij erbij: het systeem veranderen is lastig. „Je kunt denken: maak meer vaste plekken – hoogleraarsposten en plekken als universitair hoofddocent (uhd). Alleen: die hoogleraren en uhd’s zullen daarna dan weer extra postdocs en promovendi willen aantrekken om data te verzamelen en publicaties te schrijven.”

Misschien is het beter om minder jonge mensen aan te nemen, zegt hij. Misschien hebben subsidieverstrekkers als NWO wel te veel moeite voor jonge mensen gedaan. Hij noemt het stimuleringsprogramma Vernieuwingsimpuls dat jonge mensen in staat stelt hun eigen onderzoeksgroep op te zetten. „In het lab krijgen jonge onderzoekers te horen: zo’n beurs binnenslepen is een voorwaarde voor een vaste plek. Maar in hun hoofd wordt dat al snel het omgekeerde: nu ik die beurs heb gekregen, heb ik recht op een vaste plek. En zo werkt het niet.”

Dat laatste wordt alleen zelden gezegd. Liever worden jonge onderzoekers aangemoedigd hard te werken. En zo rest hen ook geen tijd om vaardigheden te ontwikkelen die buiten de academische wereld van pas komen. „We zetten ze op een snelweg die verkeerd is aangelegd, zonder goede afritten en die onderweg alsmaar smaller wordt.”

    • Margriet van der Heijden