Voor mij was een kind niet weggelegd

Gynaecoloog Mieke Kerkhof schreef een boek over haar vak, en hoe mooi ze dat vindt. „Mijn moeder was bij elke bevalling bang”, vertelt ze bij een salade.

Mieke Kerkhof is vijfentwintig jaar gynaecoloog. „Voor het eerst in mijn carrière was ik bang om een fout te maken. Of liever: bang dat iemand vindt dat ik een fout heb gemaakt.”

Sorry, sorry, zegt Mieke Kerkhof (52) als ze iets te laat binnenkomt bij Gusto, een Italiaanse lunchroom in het centrum van ’s Hertogenbosch. Onderweg kwam ze een oud-patiënte tegen. „Hier in de stad voel ik me net een BN’er.” Ze is vijfentwintig jaar gynaecoloog, de laatste zestien jaar in het Jeroen Bosch Ziekenhuis. Hoeveel Bossche vrouwen zou ze op haar spreekuur hebben gehad? En hoeveel Bossche baby’s heeft ze gehaald? „Als een vrouw achter een kinderwagen enthousiast naar me begint te zwaaien, kan ik ervan uitgaan dat ik haar bevalling heb begeleid.” Voor die vrouw is Mieke Kerkhof onlosmakelijk verbonden met de geboorte van haar kind. „Een life event”. Mieke Kerkhof moet soms even graven. Haar record staat op 21 bevallingen in 24 uur.

Al vroeg in haar carrière is ze aantekeningen gaan maken, op kleine gele post-it-papiertjes. Grappige uitspraken van patiënten tijdens het spreekuur. Voorvallen in de operatiekamer. Ontroerende momenten tijdens het visite lopen. „Ik schrijf om te onthouden. Maar het werkt ook als uitlaatklep als de werkdruk en frustratie oplopen.” Twintig van die anekdotes zijn als ‘Ikje’ gepubliceerd op de achterpagina van NRC Handelsblad. „Ik ben recordhouder.” Deze maand verschenen ze in haar bloemlezing Even ontspannen, mevrouw, waarin ook stukjes en citaten zijn opgenomen van collega-gynaecologen.

Ze is lang en vrolijk, om niet te zeggen uitgelaten. Kleine krulletjes omlijsten haar gezicht, ze ruikt naar gewassen lakens. Ze haalt het eerste exemplaar van haar pasgedrukte boekje uit haar tas. „Kijk, hoe mooi.” Dan bergt ze het weer op. Cabaretier Brigitte Kaandorp heeft het voorwoord geschreven. Mieke Kerkhof bezoekt haar shows al sinds haar studietijd. „We zijn even oud en zitten in dezelfde levensfase. Wat zij op het podium staat te vertellen, slaat ook op mij.” Ze stuurde haar regelmatig brieven om te bedanken voor weer een mooie voorstelling. Dat doet ze wel vaker, zegt ze, als een schrijver of cabaretier haar emotioneert. Claudia de Breij complimenteerde ze met haar boekje Krijg nou tieten, over de zwangerschap en geboorte van haar zoon. „Niks roze wolk. In dat boekje staat de waarheid.” Arthur Japin kreeg een brief voor zijn boek Maar buiten is het feest, over een jong meisje dat misbruikt wordt door haar stiefvader. „Japin verwoordt precies het leed dat ik soms op mijn spreekuur te horen krijg. Zo voelt misbruik.” Jos Brink en Paul de Leeuw kregen een brief omdat ze zo „gewoon deden” over hun homoseksualiteit. „Voor mij was dat een geruststelling.”

Even is Mieke Kerkhof stil. „Will, mijn vrouw, vindt dat ik te veel brieven schrijf.” Waarom? „Ze vindt me te nederig. Ik stel me op als fan, de ander is mijn idool. Zij zegt dat ik mezelf ook maar eens goed moet vinden.” Will is ook degene die een paar jaar geleden een ontmoeting tussen Mieke Kerkhof en Brigitte Kaandorp arrangeerde. „Voor mijn verjaardag gingen we naar een voorstelling van Brigitte in Breda.” En na afloop ontmoette ze haar in de kleedkamer. Een gynaecoloog, schrijft Brigitte Kaandorp nu in het voorwoord van Mieke Kerkhofs boek, is zoiets als de overgang. „Je kunt je er niets bij voorstellen, tot je ermee te maken krijgt.”

Mieke Kerkhof wist als jong meisje al dat ze geneeskunde wilde studeren. „Mijn opa en oma woonden bij ons in huis. Als de huisarts voor hen kwam, stond ik erbij. Vreselijk interessant.” Ze specialiseerde zich in vrouwengeneeskunde. Komt ook door haar jeugd. „Ik kreeg zo krankzinnig weinig seksuele voorlichting. ‘Ga dat spul maar vast kopen’, zei mijn moeder toen ik dertien werd. Ze bedoelde maandverband. Ik naar de bibliotheek in Enter, ons dorp. Elk boek over de menselijke voortplanting heb ik gespeld.”

Haar moeder, zelf „huisvrouw zonder beroep”, hoopte erg dat haar dochters wél een baan zouden hebben, liefst in de verzorging. Eén dochter werd verloskundige, één huisarts, en één is promovenda verpleegkunde. En „ons Mieke”, de oudste van de meisjes, werd gynaecoloog. „Of verzorgster, zoals mijn moeder het bleef noemen.” Ze is vijf jaar geleden overleden, de dag voor haar tachtigste verjaardag. „Dat is het ergste wat ik tot nu toe in mijn leven heb meegemaakt.” Haar vader, voorheen aannemer en meubelmaker, leeft nog. Ze is sinds afgelopen januari minder gaan werken om vaker bij hem te kunnen zijn. „Ons gezin is familieziek. We vinden het fijn om goed voor elkaar te zorgen.”

Als een kind in een goede familie wordt geboren, dat heeft Mieke Kerkhof in al die jaren gezien, ligt de wereld aan z’n voeten. „Dat heeft niets met milieu te maken, of met geld. Maar gewoon: is de basis in orde? Is het nest warm?” Ze heeft de zwangerschap van een zestienjarig meisje begeleid. „Ze was er klaar voor, zo jong als ze was. Optimistisch, positief. Niet zo gek, haar moeder was precies zo.” Het omgekeerde kan ook. In haar boekje staat een anekdote over een drugsverslaafde zwangere die haar urine ter controle moet inleveren. Ze levert stiekem die van haar moeder in. „Maar die scoorde ook op alles positief.”

De Italiaanse salades die we bestelden, zijn al op. We nemen koffie. En daarna water. En nog een keer. Ik vraag of ze zelf kinderen heeft. Ze antwoordt met een anekdote. „Op mijn vierentwintigste ging ik op kraamvisite bij mijn nichtje. Ik zag haar met haar kindje en wist: voor mij is dit niet weggelegd.” Hoezo? „Ik dacht: ik blijf alleen. Dan kwets ik zo min mogelijk mensen.” Want? „Nou ja, ik kom toch uit een behoorlijk katholiek nest...” Maar? „Ik werd verliefd.” Will was twaalf jaar ouder, verpleegster in de verloskamer waar Mieke Kerkhof als arts-assistent werkte, getrouwd, twee zoons. „Tientallen keren maakten we het uit. Maar binnen een half uur was het weer aan.” Toen de jongste achttien was, zijn ze gaan samenwonen. De zoons en kleinkinderen van Will noemt ze nu haar „cadeaukinderen”. Wat ze soms jammer vindt, zegt ze, is dat ze zelf de fysieke ervaring heeft gemist van zwanger zijn en bevallen. „Maar ik weet wel wat het is om patiënt te zijn.” Ze werd geopereerd aan een vleesboom in haar baarmoeder. „En ik weet hoe erg het is om op een spannende uitslag te wachten.” Ze had twee melanomen op haar buik.

Slachtofferhulp

‘Bij een diefstal krijg je slachtofferhulp, maar na een bevalling word je gewoon naar huis gestuurd.’ Die uitspraak staat in haar boekje. Mieke Kerkhof: „Soms lopen vrouwen in de verloskamer een trauma op.” Dat hoeft niet aan de moeder te liggen, en ook niet aan de gynaecoloog. „Soms flikt moeder natuur je rare kunstjes.” Per afgelegde meter is de geboorte de gevaarlijkste reis in het leven, zegt een gynaecoloog in het boekje. Mieke Kerkhof: „Mijn moeder was bij elke bevalling bang. Misschien nog wel het meest bij haar zesde en laatste kind.” Aanstaande ouders maken tegenwoordig wel ‘bevalplannen’. Van tevoren leggen ze hun wensen en verlangens over het verloop van de bevalling vast. „Dat kan gaan over pijnstilling, de communicatie tijdens de weeën, tot een schaaltje etherische olie naast het bed.”

En wat als het niet volgens plan verloopt? Gisteren zat ik op de fiets vanuit het ziekenhuis naar huis, zegt Mieke Kerkhof. „En voor het eerst in mijn carrière was ik bang.” Bang? „Ja, bang. Bang om een fout te maken. Of liever: bang dat iemand vindt dat ik een fout heb gemaakt.” Op haar spreekuur was een patiënte verschenen die al jaren een klachtenprocedure voert tegen een andere arts uit het ziekenhuis. „Ik weet dat. En toch moet ik plaatsnemen tussen haar benen. Hoe kan ik mijn werk doen als er geen wederzijds vertrouwen is?”

Ze heeft al patiënten gehad die het consult met hun iPhone opnemen. Of die opzichtig haar naam noteren op een bloknootje. „Zo, de aanhef van je klaagschrift heb je al, denk ik soms.” Op internet circuleert een klacht van een koppel dat boos is omdat er geen ruimte en tijd was om foto’s te maken in de verloskamer. Ze verheft haar stem. „Het was een acuut geval. In alle hectiek was het statief omgevallen. Je denkt: het kind is gezond. De moeder ook. Geweldig. Maar straks zijn die ouders weer een paar feestjes verder waar iedereen tegen ze zegt: dat moet je niet pikken. En hup, ze dienen alsnog een klacht in.”

Ze haalt een uitspraak van Wim Kan aan, ook een favoriet van haar. „Hij kon op een avond twee, drie keer teruggeroepen worden op het podium om het applaus in ontvangst te nemen en dan toch ’s avond in bed denken. ‘Die mevrouw op rij twee. Die klapte niet.’”

Ineens duikt ze onder de stoel naast ons, waar net twee jonge vrouwen zaten, en grist een (ongebruikte) tampon van de grond. „Daar zit ik nou al de hele tijd tegenaan te kijken.” Weet je, zegt ze als ze boven tafel komt: „Daar heb ik het boekje ook voor gemaakt. Om te laten zien hoe mooi mijn vak is. En hoeveel hardwerkende mannen en vrouwen dag en nacht klaarstaan voor hun patiënten.” Het is, zegt ze, niet bedoeld als moppentrommel. Grapjes willen nog wel eens verkeerd vallen. Ze laat een foto op haar iPhone zien van het afscheid van een paar co-assistenten. Ze trakteerden op cupcakes, versierd met schaamlipjes en een clitoris. Een van de collega’s had de foto op Twitter gezet. Omroep Brabant kreeg er lucht van en zette de foto op de site, met als bijschrift iets over likkebaardende gynaecologen. Ze slaat de handen voor haar gezicht. „Verschrikkelijk.” Dan pakt ze weer haar telefoon. Nieuwe foto. Weer cupcakes. Ze hebben allemaal een onderbroekje aan.

    • Rinskje Koelewijn
    • Tekst