Van de Romeinse paarden rest de mest

Het Romeinse fort Fectio bij Utrecht bood ruimte aan een ruiterregiment met 500 tot 1.000 paarden. Om ze te weiden, ontbosten de Romeinen de omgeving volledig.

Het boormonster is zes meter lang en zit vol schimmelsporen, insectenresten, stuifmeel, zaden, poep, graanresten en paardenhaar. Samen vertellen ze wat de invloed is geweest van de Romeinen op het landschap rond fort Fectio, vijf kilometer ten zuidoosten van Utrecht, zegt paleo-ecoloog Bas van Geel van de Universiteit van Amsterdam. „Een van onze conclusies is dat de Romeinen de omgeving volledig hebben ontbost.”

Van Geel is de initiatiefnemer van het onderzoek waarvan het resultaat afgelopen week verscheen in Vegetation History and Archaeobotany (editie van mei). Masterstudente Valerie van den Bos is eerste auteur. Verder hebben verschillende specialisten meegewerkt, onder wie een archeobotanicus, een entomoloog, een biochemicus en een fysisch geografe.

Fort Fectio hoort bij de eerste drie forten die de Romeinen rond het begin van de jaartelling aan de Limes, de noordelijke grens van het Romeinse rijk, langs de Rijn bouwden. De resten van het fort liggen tegenwoordig deels onder het Fort bij Vechten van de Hollandse Waterlinie, en deels onder een appelboomgaard.

Paardenfecaliën

De boring is afkomstig uit de sedimenten van een opgevulde rivierarm vlak naast het fort. „Hier dumpten de bewoners van het fort en de vicus, een bij het fort horende burgernederzetting, hun afval.” Van Geel had een paar jaar geleden al eens een boring gezien die van dezelfde plek afkomstig was. „Toen waren me lagen opgevallen waarvan niet meteen duidelijk was waaruit ze bestonden.” Door een chemische analyse is nu bekend dat het om een dikke laag mest van planteneters gaat. De resten van gekauwde granen en klaver, de aanwezigheid van bepaalde kevers en parasieteneitjes uit ingewanden bevestigden dat. „Op grond van de paardenharen denken we dat het vooral om paardenfecaliën gaat.”

Aan de hand van C14-dateringen van zaden, en de datering van stukjes aardewerk en beschilderd pleisterwerk kon het onderzoeksteam vaststellen dat de sedimenten inderdaad uit de Romeinse tijd stammen. De onderste lagen dateren uit het begin van de jaartelling en de bovenste uit de derde eeuw na Christus. Dateringen die overeenstemmen met archeologisch onderzoek dat de afgelopen decennia met enige regelmaat op het terrein van het fort zelf werd uitgevoerd.

„In de onderste lagen van de boring troffen we nog veel boomstuifmeel aan, vooral van els, en verder stuifmeel van planten uit graslanden zoals smalle weegbree. Daaruit blijkt dat de Romeinen toen ze zich hier vestigden een parklandschap aantroffen. De lokale bevolking verbouwde hier ook al gewassen.”

In latere lagen neemt de hoeveelheid boompollen (stuifmeel) snel af en groeit die van graspollen sterk. „Het aantal boompollen is zó laag dat de enige verklaring is dat vrijwel al het bos in de omgeving van het fort werd gekapt. Het hout zal vooral zijn gebruikt voor de bouw van het fort en de huizen van de vicus. Verder was er hout nodig als brandstof en voor de aanleg van een weg langs de forten.” De gebouwen zijn lang meegegaan, want in de bovenste, latere lagen van de boring troffen de onderzoekers houtworm aan, en die komt alleen voor in droog oud hout.

Cavalerieregiment

De resultaten van het onderzoek van het team zijn nuttig voor onderzoekers die zich met de hele Limes bezighouden. Archeoloog Rien Polak van de Radboud Universiteit in Nijmegen is betrokken bij een groot NWO-onderzoeksproject rond de Limes. „Twee opgegraven inscripties geven aanleiding te denken dat in Fectio een ala, een cavalerieregiment van vijfhonderd ruiters, was gevestigd. De dikke laag paardenmest in de boring bevestigt dit.” De grootschalige houtkap heeft volgens Polak deels ook met de aanwezigheid van de ala te maken. „Er moesten weiden aangelegd worden voor vijfhonderd tot duizend paarden.”

De boring zegt mogelijk ook iets over de reikwijdte van het regiment. De monsters bevatten namelijk zaden van kustplanten als zilte rus en schorrenzoutgras. De planten zijn door paarden gegeten in het minstens vijftig kilometer verderop gelegen kustgebied en vervolgens zijn de zaden bij Fectio uitgepoept. Polak: „Dat geeft een aanwijzing voor de afstanden die de cavalerie uit Fectio tijdens patrouilles aflegde.”

De ontbossing van het gebied rond Fectio betekent niet dat er op den duur een tekort aan hout was, zegt archeobotanicus Laura Kooistra, ook betrokken bij het Limes-onderzoeksproject. Onlangs heeft ze met vier andere onderzoekers in het Journal of Archaeology in the Low Countries twee artikelen gepubliceerd over de vraag of de lokale bevolking het Romeinse leger in de Rijndelta in de meeste behoeften kon voorzien. „Uit onze modellen blijkt dat dit kon. Hout kon bijvoorbeeld aan de andere kant van de Rijn worden gehaald en verder hebben we aanwijzingen dat er aan bosbouw is gedaan.”

Sommige zaken werden niet lokaal geproduceerd, zoals spelt. Kooistra: „De spelt in Fectio werd geïmporteerd uit het Duitse Rijnland.” Het geïmporteerde graan werd in het fort opgeslagen. Soms te lang: in de boring zaten de resten van fijngemalen kevers, met name graanklanders.