Nu besef ik dat mijn vader een oorlogstrauma had

In de rubriek ‘Het nabestaan’ praten mensen over verlies, rouw en hoe het leven verder gaat. Daaronder staat een necrologie van een niet per se bekende persoon.

„Met mijn vader heb ik nooit echt contact kunnen krijgen. Ik was bang voor hem. Hij strafte met harde hand.

„Wekenlang was hij van huis. Als fotograaf bij Philips reisde hij over de hele wereld, langs ziekenhuizen, om operaties te fotograferen. Als hij thuis was, zagen we vooral de rook van zijn pijp die boven z’n leunstoel uitsteeg. In die weken mocht ik geen vriendjes mee naar huis nemen. Geen herrie in huis!

„Was hij weer weg, dan waren we opgelucht, mijn moeder, m’n broer en ik. Mijn moeder was een lieve, warme vrouw, met wie ik een hechte band had.

„Mijn vader leefde als solist, had geen vrienden; buiten zijn werk had hij met weinig mensen contact. Alleen kreeg hij af en toe dikke brieven uit Polen. Ik dacht altijd dat het post was van iemand die hij via z’n werk kende. Na zijn dood, in 1982, ben ik die in het Duits geschreven brieven gaan lezen. Toen werd me duidelijk dat het post was van een vriend die hij in de oorlog in Polen had leren kennen.

„Nooit had mijn vader verteld hoe hij de oorlog was doorgekomen. Aan mijn moeder ook niet, trouwens. Pas toen mijn vader dood was, kreeg ik de ruimte hem beter te leren kennen. Dat wilde ik ook graag. Wie was toch die zwijgende en strenge man die mijn vader was geweest en altijd een vreemde voor me was gebleven?

„Ik heb die Poolse vriend een brief geschreven. Milosz, in Poznan. We kregen antwoord, hij nodigde me uit voor een bezoek. Samen met mijn moeder ben ik gegaan, met de auto, in de zomer van 1984. Een hele expeditie was dat toen nog: urenlang wachten aan de grens, en strenge controles, waarbij zelfs de bekleding van het dak van mijn auto werd opengesneden.

„Milosz woonde met zijn vrouw en dochter in een piepklein flatje, negen hoog, zonder lift. Enorm gastvrije mensen. Maar wat een armoe daar!

„Urenlang heeft Milosz in die dagen verteld over de oorlog. Hij kwam uit een rijke familie, met een groot, kasteelachtig huis, in de buurt van Poznan. Op een ijskoude dag had mijn vader, als een uitgehongerde vluchteling uit een werkkamp, daar aan de poort gestaan. Hij had aangeklopt in de hoop op een beetje eten en onderdak om de nacht te kunnen overleven.

„Mijn vader had geluk. Hij heeft een tijdlang bij die familie onderdak gekregen. Er was een zoon in huis, van mijn vaders leeftijd. Dat was Milosz. Aan hem heeft hij verteld over zijn ontberingen in het kamp.

„Oorlogsverhalen had ik in die tijd volop gehoord en gelezen, maar ze klinken toch anders wanneer je je eigen vader voor je ziet als hoofdpersoon. Met Milosz zijn we in het kamp geweest dat deels nog in tact is. Ik heb op de executieplaats gestaan, waar mannen tegen de muur werden gezet als ze tegen de regels van het kamp hadden gezondigd – een muur vol butsen en kogelgaten. Lijken weghalen en aan de rand van het kamp begraven – dat was onderdeel van het corvee dat mijn vader had moeten doen, zoals alle tewerkgestelden.

„Oorlogstrauma kreeg dertig jaar geleden nog maar weinig aandacht. En in de jaren 50, waarin ik opgroeide, was dat helemáál geen onderwerp. Nu hoor en lees je de verhalen van jongens die in Afghanistan hebben gezeten en met een post-traumatisch stress syndroom zijn teruggekeerd.

„Langzaamaan ben ik gaan beseffen hoe mijn vader getraumatiseerd uit de oorlog is gekomen. In de zomer van 1945 was hij, na veel omzwervingen, in Nederland teruggekeerd. Twee jaar later zat hij al weer op de boot naar Nederlands-Indië, ingezet bij de politionele acties.

„Ook dat zijn we pas tientallen jaren beter gaan snappen: de regering liet in Indië een smerige oorlog voeren, terwijl Nederland zelf net slachtoffer van een vreselijke oorlog was geweest. Mijn vader heeft het allemaal meegemaakt. Vreselijke nachtmerries heeft hij eraan overgehouden – gillen, krijsen als een gewond dier. Als kind raakte ik er langzaam aan gewend. Je werd er wakker van, hoorde het aan, angstig in je bed. Nooit werd erover gepraat. Je voelde wel aan dat je d’r beter niks over kon vragen.

„Naarmate je zelf ouder wordt, zelf meer meemaakt, ga je anders naar het verleden kijken. Wat mijn vader heeft doorstaan, is mij gelukkig bespaard gebleven. Dat heeft me ruimte gegeven m’n leven anders in te richten. En dat heb ik heel bewust gedaan. Ik ben een familieman. De kinderen komen hier elke week over de vloer. Iedereen is welkom. Eten, drinken, schuif maar aan. Eén avond in de week ga ik biljarten, hier in het dorp. Plezier hebben met vrienden. Heeft mijn vader nooit gedaan. Wat heeft hij toch een hoop gemist!, denk ik vaak.

„Die reis naar Polen in 1984 is het begin geweest van een zoektocht naar het leven van mijn vader. Toen ik zelf eenmaal zestig werd, en minder ging werken, zat ik steeds vaker met m’n vaders verleden in m’n kop. Ik dacht: ik ga een boek schrijven over hem, voor mijn kinderen en kleinkinderen ook, om aan hen door te geven hoe verschrikkelijk de oorlog is geweest en wat mijn vader daarin heeft meegemaakt. Maar ja, wat wist ik over hem, behalve dan wat ik van Milosz had gehoord?

„Een jaar lang heb ik op het verhaal geploeterd. Uiteindelijk had ik de vorm gevonden: het boek begint en eindigt met fictie. Hij belt me op en nodigt me uit voor een gesprek op het kerkhof. In het boek, vertelt hij mij zijn verhaal dat hij nooit heeft willen vertellen en waarnaar ik hem nooit heb durven vragen.

„Toch is het allemaal echt gebeurd nu: in mijn hoofd, in het boek. Toen het klaar en gedrukt was, heb ik het op zijn graf gelegd. Ik had eindelijk vrede met hem, en ik hoop: hij met mij.”

    • Gijsbert van Es