Kaaskop of vinex-vrouw?

Toef Jaeger grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Het songfestivalliedje is er. Het is verzorgd en degelijk en het klinkt alsof het uit Nashville komt. Toch vertegenwoordigen Ilse en Waylon ‘onze’ identiteit op 6 mei in Kopenhagen. Hoe ziet de Nederlander er eigenlijk uit? Dat is de vraag die Remco Ensel stelt in De Nederlander in beeld. Bestaan we wel? Toenmalig prinses Máxima gaf ooit ontkennend antwoord, maar in de jaren twintig en veertig van de vorige eeuw kon je rekenen op een volmondig ja. Het was zaak om ‘onszelf te worden en onze eigen aard en diepste wezen te hervinden.’ De vraag is dan niet meer of de Nederlander een gezicht heeft, maar: hoe ziet dat eruit? De Nederlandse vrouw is fotogenieker dan de Nederlandse man, lijkt het toch. De Hollandse Heimat-portretten vermijden de ‘modern geklede vrouw, de stedeling, de boerenzoon met ontledigd gezicht en hoornen bril’, en omarmen vrouwen met het haar in een knot, blonde baby op schoot, montere jongens op het land en gegroefde mannenkoppen onder het mom van ‘sobere menschen met sobere wenschen’.

Dat was toen. Hoe ziet de Nederlander er nu uit? Misschien wat moderner, maar erg optimistisch word je er niet van wanneer je de columns van Sylvia Witteman leest. In Gekke wijven en andere types is de vrouw bepaald niet mooier dan de man, maar in feite een gruwelijk wezen. Witteman schetst de vrouwelijke profiteur, de betweterige oma, de vinexvrouw, enzovoorts. De ‘lekkere gekke vijftiger’ is vanaf de eerste zin meteen neergezet: ‘Ja, en dan zie je de mensen kijken hè, maar daar heb ik móói schijt aan’. Het is allemaal spreektaal (de meeste stukjes beginnen met een ‘ja’, ‘nou’, ‘joh’, ‘zeg’, of vergelijkbare kreet) maar die vergroot de herkenbaarheid – de ‘tijd voor mezelf-moeder’ staat op elk schoolplein, en de ‘spirituele moeder’ is inderdáád altijd ‘op zoek naar iemand die ook eens een beetje aandacht heeft voor míj.’ Het is vaak grappig, maar je wordt er toch wat somber van. Wat zijn al die types met zichzelf bezig, wat zijn ze hard en liefdeloos. ‘Heerlijk om te lezen,’ adverteert uitgever Linda boeken. Ja, nou, joh, zeg, dat is waar, maar dan toch vooral voor iemand die wil lezen hoe de mensheid ten onder gaat.

Over ondergang gesproken: wat te denken van een man die zo aanlokkelijke kan spreken, zingen, spelen dat hij hele volksstammen verleidt om huis en haard te verlaten – zodat het dorp gezuiverd wordt van ongewenste elementen. Dat is de ideale persoon vlak voor de gemeenteraadsverkiezingen, of anders op z’n minst de natte droom van Geert Wilders. ‘Je had de bevolking moeten horen. Ze luidden de klok zo luid dat de toren duizelde.’ En alle sporen worden uitgewist. Maar de man speelt verder, en behalve de ongewenste elementen verdwijnen nu ook alle kinderen uit het dorp! Goede raad is duur, hoe krijg je de geest weer in de fles? Het is geen genadeloze allegorie op onze moderne tijd waarin we kinderen als illegalen het land uit willen zetten, maar het sprookje De rattenvanger van Hamelen van Robert Browning, vertaald door Peter Verstegen en geïllustreerd door zijn kleindochter Megan.

Toen Browning over de rattenvanger schreef, werkte een nationalistische dichter aan zijn ‘Liederen voor de verdedigers des vaderlands’. Vanuit zijn woonplaats Oosterbeek, probeerde hij het zijne toe te voegen aan de Nederlandse identiteit.

Oosterbeek staat nu vooral bekend omdat de Slag om Arnhem er gedeeltelijk werd uitgevochten. Oud Volkskrant-journalist Willem de Bruin begint en eindigt zijn boek Je moet hier geweest zijn dan ook in de oorlog. Maar tussen die twee indrukwekkende hoofdstukken vertelt hij een heel ander verhaal over de plaats – meer nog dan Bergen of Laren was het al heel vroeg een kunstenaarskolonie van allure. De Bruin vertelt het verhaal over een plek waar je mooie landschapjes kon schilderen, die ver weg was van de drukke beschaving – tenminste, totdat het spoor het oosten van het land bereikte. Opeens was Oosterbeek minder ver weg, en dat was aanvankelijk goed, want het werd er drukker, maar om dezelfde reden ook jammer. Het is een opkomst- en ondergangverhaal, van ‘trefpunt van de elite’ tot ‘toeristische trekpleister’ – rijk aan anekdotes en bescheiden faits divers, met veel aandacht voor Jacob van Lennep en Johannes Kneppelhout, die uiteindelijk verzucht: ‘Het Oosterbeek dat ik tevoren kende, bestaat niet meer.’ En toen moest het nog oorlog worden.