Ik schreeuw niet!

Joyce Roodnat

Over: Bentz & Van der Moer; Taylor & Burton; Derwig & Kraakman; Michael Moore Quartet

‘Ik schreeuw niet.’ Edward Albee schreef honderden geweldige zinnen voor Wie is er bang voor Virginia Woolf (1962), zijn legendarische stuk over George en Martha en een nacht van drank en escalerende echtelijke ruzie. Maar dit kleine zinnetje is me het liefst. Martha zegt het en het is op zichzelf gaan staan als Kniertjes ‘De vis wordt duur betaald’ uit Op hoop van Zegen.

„Ik schreeuw niet.” Het is geen uitspraak, het is een antwoord. Martha verwijt George dat hij zich op feestjes en borrels als een dooie gedraagt. Hij mixt niet, hij doet nooit mee. Waarop George zegt: „Wat moet ik dan, rond lopen schreeuwen zoals jij?”. En dan antwoordt Martha: „Ik schreeuw niet.”

Alleen, Albee schreef niet ‘schreeuwen’. Hij gebruikte het woord brag. Moeilijk vertaalbaar. Er zit lawaai in maar het betekent opscheppen. „I don’t brag” werd, nog door Gerard Reve, vertaald als: „Ik schreeuw niet.” En dat was een gouden greep. Het mag inhoudelijk net ernaast zitten, het is het amechtige alfa en omega van de echtelijke ruzie. En Reve voegde iets cruciaals toe. De Martha-van-dienst moet er iets van maken, want de vertaling ‘Ik schreeuw niet’ fungeert als een stemvork. Als het goed is, zet het de toon van de voorstelling.

Wie is er bang voor Virginia Woolf was eerst ultramodern, werd toen ouwe koek en is inmiddels een veel gespeelde klassieker. Het stuk trekt geheid publiek en dat weet dat het vuile huwelijkse herrie gaat zien. Ook de frappe is genoegzaam bekend: het enige dat Martha en George samen hebben is hun ongewenste kinderloosheid en die fantoompijn blijken ze te bestrijden met een geliefde fantoomzoon. Het maakt niet uit, dit duel kan op duizend manieren worden uitgevochten. Groots. Achterbaks. Berekenend. Op volle kracht vooruit. Met de moed der wanhoop. Roekeloos. In stille bewondering voor de ander. Of als een orgie van verbale sm-erotiek – het zit er allemaal in. Oftewel: Albee is een genie.

Maar let op ‘Ik schreeuw niet’, ergens in het begin van het stuk, en je weet hoe de wind waait. In 1964, toen het hier voor het eerst werd uitgevoerd, schreeuwde Ank van der Moer het tegen Han Bentz van den Berg: „Ik! Schreeuw!! Niet!!!”.

Roel Bentz van de Berg, zoon van, vertelt: „Op dat moment wist je: Martha vecht puur op provocatie.” Hoe ontstond die brul? Weet hij niet meer. Het kwam ook door „die geweldige stem van Ank”, vermoedt hij.

Twee jaar later, in de verfilming, jengelt Elizabeth Taylor het tegen Richard Burton : „I don’t brag…”. Ze bauwt hem na, hij kijkt gewond. Je beseft: dit wordt een botsing van titanen. En van de versie van het Ro Theater, twintig jaar geleden nu, herinner ik me nóg mijn huivering, toen Geert de Jongs Martha het gromde naar de iele George van Herman Naber (zo zonde dat die acteur jong overleed, aan gemene nukken van het leven). Ik wist: Martha gaat George dit keer zijn strot afbijten. En zo gebeurde. Het stuk draaide vanaf dat moment om haar. Is het daarom dat ik me ook herinner hoe Geert de Jong die andere beroemde zin uitspuugde? „Als jij echt bestond, liet ik me van je scheiden.”

De nieuwste versie van Wie is er bang... is angstaanjagender dan ooit. Jacob Derwig is George, Maria Kraakman is Martha. Ze bewegen soepel, luipaarden op jacht, inclusief onvoorspelbare agressie. Ik wacht op ‘Ik schreeuw niet’. Daar komt het, maar net anders: „Ik balk niet”, bokt Kraakmans Martha. Balken. Vreemd woord. En ik weet genoeg. Dit wordt een verbale slachtpartij met bloed aan de muren, wat wordt bevestigd door Georges observatie, verderop: „Martha heeft een satanisch gevoel voor taal”.

Wie is er bang? George en Martha. Waarvoor? Niet voor de boze wolf of voor Virginia Woolf, maar om het leven in het gezicht te zien. Ze klemmen zich aan elkaar. Ze schreeuwen wél.

Ik zit in het Bimhuis, het Amsterdamse jazzpodium waar de musici spelen met de lichtjes van de stad in hun rug. Saxofonist Michael Moore, an American in Amsterdam, speelt zijn stukken, met zijn Quartet. Ik schreeuw niet. Dat hoeft niet, hier worden dromen niet verbrijzeld maar gesmeed. Michael Moore neemt me op sleeptouw met een bassist en een pianist in trance en met rugdekking van Michael Vatcher, de slagwerker met de tedere polsen. Ik wist niet dat jazz zo intiem kon zijn. Het concert is klaar. Applaus, toegift, applaus, toegift. Moore bedankt ons dat we gekomen zijn. En speelt door.

    • Joyce Roodnat