Gemeenteraadsverkiezingen doen er wel degelijk toe

In het het grootste deel van Nederland worden aanstaande woensdag, 19 maart, de vierjaarlijkse gemeenteraadsverkiezingen gehouden en de vrees bestaat dat de opkomst een laagterecord zal vertonen. Althans voor lokale verkiezingen. Dat zou passen in de trend die zich sinds de afschaffing van de opkomstplicht, in 1967, voordoet. Op enkele oplevingen na, in 1978 (73,7 procent) en in 1986 (73,3 procent), vertoont het opkomstpercentage een neergaande lijn. De vorige verkiezingen, in 2010, kenden het tot nu toe laagste opkomstpercentage, 54,1.

Daar kan treurig over worden gedaan, maar het is een consequentie van de afschaffing van de opkomstplicht. Niet-stemmen is ook een recht en er is wel wat te zeggen voor de stelling dat de democratie beter is gediend met een gemotiveerde stem dan met een onverschillig ik-doe-maar-wat. Daarnaast zijn er de kiezers die bij de stembus hun landelijke voorkeur volgen, daarin gestimuleerd door de veel te grote rol die dezer dagen, bijvoorbeeld in televisiedebatten, wordt toebedeeld aan de landelijke kopstukken van een partij. Maar uiteindelijk is ook dat kiesgedrag niet bezwaarlijk; die kiezer mag ervan uitgaan dat de lokale afdeling het gedachtegoed deelt van zijn partij die hij alleen van de nationale politiek kent.

Het is nu eenmaal zo dat lokale politiek menigeen betrekkelijk koud laat: als de gemeente er maar voor zorgt dat paspoorten tegen een billijke prijs en binnen een redelijke termijn worden verstrekt en dat het vuil met voldoende regelmaat word opgehaald. Niettemin zullen ook deze burgers van tijd tot tijd ontdekken dat het er wel degelijk toedoet wat een gemeenteraad uitvoert.

Daarom is het jammer dat, ook van wetenschappelijke zijde, de laatste tijd zoveel twijfel is uitgesproken over het nut van de komenden verkiezingen. Zeker, gemeenten zijn voor een goed deel verworden tot uitvoeringsdiensten van rijksbeleid. Hun financiële afhankelijkheid van de rijksoverheid is evenzeer een feit. Maar, om twee voorbeelden te noemen, het was wel degelijk de gemeenteraad van Den Haag die besliste – in meerderheid – tot de bouw van het culturele Spuiforum en het was de raad van Rotterdam die, ten minste voorlopig, de nieuwbouw blokkeerde van een nieuw voetbalstadion voor Feyenoord. Wie via internet een van de stemwijzers voor zijn eigen gemeente kan invullen, ontdekt al gauw dat er allerlei plaatselijke vraagstukken spelen waarover de lokale partijen van mening verschillen. Of de gemeente een eigen armoedebeleid moet voeren en daarvoor de onroerendezaakbelasting moet verhogen, bijvoorbeeld, is een ideologisch, en dus partijpolitiek vraagstuk waarover de kiezer met zijn stem indirect meebeslist.

Intussen is er genoeg reden om na te denken over de bestuurlijke positie van de gemeente binnen het geheel dat de overheid heet. De decentralisaties van rijkstaken die eraan zitten te komen, zoals de jeugd- en andere zorg, maken het functioneren van gemeenten alleen maar belangrijker, maar ook moeilijker. Hun – grotendeels niet vrij besteedbare – budgetten stijgen aanzienlijk en daarmee ook de financiële problematiek die hiermee gepaard gaat. Anders dan het kabinet mogen de colleges van burgemeester en wethouders er geen financieringstekort op nahouden; gemeentebegrotingen moeten sluitend zijn. De uitgaven aan vooral zorgtaken kunnen al gauw betekenen dat gemeenten elders moeten bezuinigen. Op de bibliotheek, op de sportclubs, op de muziekschool, op de lantaarnpalen, op het groen. Lokale kwesties die politieke keuzes vergen. Voor de hand ligt dat mede daardoor de discussie over de herinvoering van meer eigen gemeentelijke belastingen – in de jaren twintig van de twintigste eeuw grotendeels afgeschaft dankzij de ministers De Geer en Kan – een impuls zal krijgen; met op voorhand hier alvast de aanbevolen voorwaarde dat dit gepaard moet gaan met een evenredige verlaging van de rijksbelastingen.

Het huidige kabinet zoekt het vooral in schaalvergroting, hoewel het aantal gemeenten de laatste dertig jaar al van 774 naar 403 is gedaald. Achtereenvolgende ministers van Binnenlandse Zaken hebben weinig werk gemaakt van wat de Gemeentewet hun voorschrijft: het bevorderen van de beleidsvrijheid van gemeentebesturen. Daar zou het de komende jaren wel over moeten gaan én over de democratische controle op de manier waarop gemeenten met hun uitdijende takenpakket omgaan. Controle waarvoor gemeenteraadsverkiezingen onontbeerlijk zijn.