Geisers en vulkanen zijn oases op Antarctica

Foto Pete Convey

Het leven op de zuidpool kan plaatselijk duizenden of miljoenen jaren overleven dankzij warmte uit de aarde. Geisers, vulkanen en warmwaterbronnen hebben de schimmels, mossen en ongewervelde dieren beschermd tegen vrieskou en ijs. Daarmee is misschien ook het raadsel opgelost hoe sommige organismen de ijstijd in IJsland en Noorwegen konden overleven (PNAS, 10 maart online).

Het leven op Antarctica moet je zoeken met een vergrootglas, maar het is er wel. Kleine diertjes als mijten, rondwormen (aaltjes), springstaarten en waterbeertjes krioelen er tussen mossen en korstmossen (korstmossen zijn symbioses tussen een schimmel en een alg).

De meeste van deze zuidpoolsoorten leven al duizenden of miljoenen jaren op Antarctica. Biologen gingen er tot nu toe van uit dat zij al die tijd leefden op kliffen, richels en bergtoppen die permanent boven het ijs uitsteken (‘nunataks’). Maar steeds vaker blijkt uit klimaatmodellen dat ook die uitsteeksels tijdens de laatste ijstijden bedekt waren onder een dik pak ijs, zeker aan de kust. Waar hield het leven zich dan schuil?

Daar waar het behaaglijk warm was, denken Britse en Australische poolonderzoekers nu. In de afgelopen 20.000 jaar zijn op Antarctica zestien vulkanen uitgebarsten, zoals Mount Erebus, de vulkaan die in 1841 door poolverkenner James Clark Ross werd ontdekt. Dankzij de hete magmakamers blijft omliggend terrein ijsvrij.

De poolonderzoekers hebben systematisch onderzocht of leven vaker voorkomt rond zulke warmtebronnen. Ze maakten gebruik van een database van Antarctisch leven, waarin van 1.823 soorten is bijgehouden waar en hoe vaak ze voorkwamen. Hoe dichter bij een bron van aardwarmte, hoe diverser het leven was, zagen de onderzoekers.

    • Lucas Brouwers