Een wrak verdwijnt

In Amsterdam is het seizoen van de plezierbootjes weer aangebroken. De weervrouwen en -mannen van de televisie hebben het ons al de hele week ingepeperd. Het eerste zonnige weekeinde hebben we achter de rug en er komt meer. Een record! Hoe het precies werkt weet ik niet, maar ik stel me voor dat de eigenaar van zo’n bootje zijn naaste familie of zijn vrienden belt. Heb je het gehoord! Zaterdag en zondag mooi weer! We gaan varen! Okee, roepen ze. Wat moeten we meenemen? De taken worden verdeeld. Jolanda neemt de belegde broodjes voor haar rekening, Ingrid zal zorgen dat er een kratje ijskoude Coca Cola aan boord is, Carel brengt een fles wodka mee en Jeroen komt met een kratje bier en zijn geluidsinstallatie. Daar kan niets mis gaan.

U woont aan een gracht, of in ieder geval aan het Amsterdamse water. Die zaterdagochtend wordt u wakker van een ver gestamp dat snel nadert. Waar komt dat vandaan? Op de gracht varen op z’n minst tien bootjes, allemaal afgeladen vol, en allemaal met de luidspreker op volle sterkte. U herkent André Hazes, Guus Meeuwis, Jeroen van der Boom, nog meer begenadigde artiesten. Is dat genieten! En dit is nog maar het begin. Als de opwarming van de aarde deze zomer doorzet, krijgen we op een goeie dag de langste waterfile ooit. En daarover zal dan weer meer dan ooit over worden gepraat, gesmartphoned, geselfied. Allemaal records.

Maar er is een keerzijde. De bootjes die we ’s zomers met die onbezorgde bemanning zien varen, liggen buiten het seizoen ongebruikt aan de kade gemeerd. Sommige hebben hun beste tijd al ver achter zich, andere hebben een slordige eigenaar die vergeet een dekzeil over de open achterkant te spannen. Aan onderhoud wordt ook niet veel gedaan. Dan komen de herfst en de winter, weken achter elkaar blijft het stortregenen. Zo’n bootje zakt langzaam dieper in het water. De verf bladdert, er komt een beetje rot in het hout, het gaat er verwaarloosd uitzien. Er komen een paar kwajongens langs. Ze springen aan boord, rukken hier en daar iets kapot, forceren de kajuitdeur, richten zichtbare schade aan.

Dit alles blijft de omwonenden niet verborgen. Ze ergeren zich toch al aan die wrakken voor de deur en aan dat luidruchtige botenvolk. Op een mooie dag vroeg in het voorjaar is de maat vol. Ze bellen de politie. Eerst komt er een autootje. Twee agenten inspecteren het wrak en schrijven iets in een boekje. En daarmee is het volgende hoofdstuk van het drama begonnen.

Het zeilbootje dat in deze geschiedenis de hoofdrol speelt, had een kleine kajuit, was een meter of zes lang en ongeveer twee meter breed en overnaads gebouwd. De gebeurtenissen spelen zich af in de vroege ochtend van 10 maart, aan de Reijnier Vinkeleskade. Ik was op weg naar de tramhalte – altijd een mooie wandeling. Daar komen twee boten van de gemeente aan: een flink schip met een grote open laadruimte en een wat kleiner met een hijskraan en een geweldige grijper.

Bij dat kleine wrak gaan ze niet verder, de twee mannen aan boord houden een grondige inspectie. Dan zwaait de grijper boven het doffe rompje, zakt en sluit zich om een stuk van de stuurboordwand. Hijsen maar! Het scheepje is te zwaar van al het regenwater, dat stuk van de scheepswand te zwak en met hartverscheurend gekraak worden een paar planken van de romp gerukt. De grijper begint nu aan bakboord, het scheepje komt een halve meter uit het water en dan weer dat gekraak. Ook deze poging is mislukt. De twee heren van de gemeente bestuderen het rompje. Misschien biedt de achtersteven meer houvast. Maar nee. Opnieuw gekraak en dit wrakje in aanbouw weigert zich te laten inladen. Nu laat de kraanmachinist de grijper hard op de toegang tot de kajuit vallen. Het zware ijzer dringt door tot de bodem en klemt zich vast aan iets dat kennelijk meer houvast biedt. Het scheepje hangt schuin in de grijper, het water stroomt eruit en dan is het kennelijk licht genoeg om in het vrachtschip te worden gehesen. Einde drama.

Opeens dacht ik aan Jacob van Heemskerck en Willem Barentsz. Hoe ze in 1596 op Nova Zembla overwinterden nadat hun schip in het pakijs was vastgevroren. En toen aan de Titanic. De ondergang van ieder schip is een drama omdat het, meer dan een gemiddeld huis, zijn eigen dramatische geschiedenis heeft. Een eigen persoonlijkheid. Bij de gewelddadige ondergang van dit bootje dacht ik even aan de mooie dagen van het vorig jaar, toen het zeker heeft meegevaren in die vrolijke grachtenvloot.