De vernislaag van Knokke

Ooit was Knocke sur Mer een chique badplaats. Nu doet nieuw geld er alsof het oud geld is.

Knokke is te koop. Of te huur. Althans, zo lijkt het. Overal hangen borden aan gevels en ramen. En Knokke heeft veel gevels en ramen. Langs de Belgische kust ligt een aaneengesloten rij flatgebouwen, slechts hier en daar onderbroken door een laatnegentiende-eeuwse villa die – als het dorpje van Asterix en Obelisk in de strijd met de Romeinen – moedig stand hield tegen de oprukkende projectontwikkelaars die hier sinds de jaren zestig hun beton stortten. De Knokse kust is lelijk, zoveel is zeker, het wedijvert daarin om de eerste plaats met Benidorm.

Ooit, in de eerste decennia van de twintigste eeuw, was het anders. Toen heette het Knocke met een C, met het achtervoegsel sur Mer, en was het de chicste badplaats van Noord-Europa. In het casino traden wereldsterren op, van Marlene Dietrich tot Ella Fitzgerald. Koning Leopold speelde er golf en Boudewijn kwam er met zijn Fabiola. Prins Bernhard misdroeg zich aan de bar en Hugo Claus „verzoop zijn hele verdriet van België aan mijn bar”, vertelde me ooit de uitbaatster van restaurant l’Aquilon. Ze kreeg zelfs Freddy Heineken aan de Duvel („hij dronk het met goesting”) omdat ze geen Heineken had. In Hotel La Reserve (sinds een jaar ter ziele en vervangen door een knoertmodern hotel met appartementen onder de naam La Reserve The Residence) sliepen sterren als Frank Sinatra en Ava Gardner. Van die tijd resten nu de ietwat vergeelde foto’s aan de muren van de oude cafés.

Au grand chic

Ook de namen van oude villa’s en flatgebouwen, gebouwd in Normandische dan wel Engelse stijl – anno jaren dertig, veertig, vijftig – refereren nog aan de chique tijd. Hun letters hangen misschien wat scheef, of zijn afgebladderd, maar ze zijn nog overal, in ’t Frans, dat spreekt: Au Grand Chic, Belvédère, Bellevue, Eden Roc, Monte-Carlo, Beausite, Palace, Beau Lac, Beau Séjour, Villa La Rêve. En al bladdert de oude vernislaag van Knokke steeds verder af en verschijnen er steeds meer glazen loftappartementcomplexen en jacuzzipenthouses met ondergrondse parkeergarages en touch screen beveiligingsintercoms, wat blijft zijn de namen van weleer. Dan heet zo’n glazen gebouw alsnog Bellevue, ook al kijkt het nergens meer op uit.

Natuurlijk, er is nog wel oud geld dat in Knokke is achtergebleven, of er af en toe nog langskomt in de oude familievilla. Hier en daar ademt het nog die oude grandeur, maar oud geld sterft uit. In plaats daarvan is het nieuwe geld gekomen: ze komen uit het Gooi, rijden in een Landrover, knopen een lamswollen trui over de schouders, laten de bontjas losjes openhangen, dragen een logozonnebril, een Hermèstas, Chanel no. 5. Volk dat golft en jaagt, champagne drinkt aan de lunch en een glaasje Pimm’s tegen vier, half vijf. Nieuw volk dat doet alsof het oud is. Het zijn veelal mensen die in Knokke een vakantiehuis bezitten, of een appartement, of er een huren, jaar in jaar uit.

Knokke lijkt in veel op de Hamptons aan de Amerikaanse Oostkust, waar veel geldadel vakantie viert en huizen als paleizen bouwt, maar waar het ook nog riekt naar de chic van oude families, de Astors, de Winthrops, de Bayards. In Knokke zijn het de Lippens, graven bij Koninklijk Besluit, die niet alleen half Knokke bezitten, maar sinds 1947 ook bijna doorlopend de burgemeesters leveren (sinds 1977 is dat Léopold). Er heet ook veel naar de Lippens in Knokke, zoals de lange Lippenslaan, de winkelstraat met de beste traiteurs en drankleveranciers, waar het op zaterdag zo druk is als in de Amsterdamse P.C. Hooftstraat, met dito auto’s en dito kledij. Hier slaat men proviand in voor het weekend, want Knokke kent relatief weinig hotels, dus men bezit of men huurt en dan moet er eten op tafel.

Sinds de kustvilla’s het aflegden tegen het beton aan de boulevards, trok de elite zich terug, landinwaarts, in de lommerrijke wijken met vergeten pleinen, en in de vlinderparken en duinen in het achterland. Hier zijn huisschilders bijna onophoudelijk aan het werk, want bij gemeentelijk besluit moeten alle villa’s wit zijn en wit vergeelt hier rap door de zilte zeelucht. En aangezien nieuw geld houdt van schoon en blinkend fris, moet dat steeds opnieuw worden gedaan. In het duinlandschap ligt ook de nu 104 jaar oude golfbaan die zich sinds 1925 koninklijk mag noemen.

Frigiboxtoeristen

In Knokke lopen wijken en gewesten naadloos in elkaar over, van noord naar zuid, maar er is wel degelijk onderscheid, subtiel, voor wie het weet, het loopt van rijk naar minder rijk: Le Zoute is poepduur, dan Knokke zelf, Albertstrand, Duinbergen en Heist, aaneengeregen door de Zeedijk. Wie Heist nadert, ziet zelfs ‘frigiboxtoeristen’, zoals burgemeester Léopold Lippens de minder draagkrachtige toeristen noemt. Hij voerde in 1990 tevergeefs campagne om ze uit zijn geliefde Knokke te verjagen.

Knokke mag dan snobistisch zijn en rijk, er moet plaats blijven voor iedereen. Voor dagjesmensen, voor friet en biergelag. En voor strandliefhebbers, want zon en strand blijven de grootste trekpleisters. Er wordt veel gesurft. Windsurfen, kitesurfen, golfsurfen. En er wordt gezeild, liefst op catamarans, te huur voor een dag. De boten liggen in de bocht van de kust, in een klein haventje richting Duinbergen, van verre al herkenbaar aan het geluid dat de kabels tegen de masten maken in de wind. En er wordt gevist, wat op sommige plekken zonder vergunning mag. Met of zonder Wellingtonlaarzen en jassen van Barbour, de herkenbare vrijetijdsdracht van het nieuwe geld dat deze look afkeek van het oude geld.

In het hoogseizoen is het keidruk in Knokke. De brede stranden liggen vol, populaire muziek schalt uit de cafés, de boulevards en talrijke terrassen zijn afgeladen met gezinnen. Knokke is op z’n mooist in het voor- en najaar, als het stil is en rustig. Achter glas is het dan fijn zonnen. En als het kil optrekt aan het eind van de dag fluks naar huis.

Of niet eens naar huis, ook al bezit men er een. „Hé, jullie hier?”, roept een voorbijganger naar mijn buurtafel op het terras. „Ik fiets net langs jullie huis en alle luiken zijn dicht.” Roepen ze (Nederlanders zowaar) terug: „We zijn hier maar voor twee dagen, zitten in La Reserve, zo’n gedoe om voor één nacht het huis helemaal te ontsluiten.”