Crisisdenken tussen soep en toetje

Al ruim vijf jaar komt een groep van zeventien economische smaakmakers bij elkaar om na te denken over de economische crisis. Zou een Amerikaans voorstel tot schuldweigering de oplossing zijn?

Een avondje tafelen in het gezelschap van Wouter Bos, Ewald Engelen en Bas Jacobs, om te praten over de financiële crisis? Matthew Steinglass, de Nederlandse correspondent van The Economist, kreeg in de zomer van 2011 een uitnodiging waar hij geen nee tegen kon zeggen. Twee maanden later mocht hij voor het eerst aanschuiven bij nationale smaakmakers die elkaar een paar keer per jaar treffen om van gedachten te wisselen over de oorsprong van en de oplossing voor de hardnekkige crisis die sinds 2007 de wereldeconomie voor de voeten loopt. Hun opvattingen, samengevat in zestien essays en een epiloog, zijn te vinden in Het Crisisdiner.

Aan kennis en meningen rond de tafel en in dit boek geen gebrek. Matthew Steinglass zal ongetwijfeld genoten hebben van de fraaie historische perspectieven die werden geschetst door Arthur van Riel (over de vergelijking tussen deze crisis en die van 1930) en door Harald Benink (over de moeizame pogingen om in Basel de kapitaalseisen voor banken vast te leggen). Hij zal veel opgestoken hebben van de verhelderende terugblikken van Roel Janssen, Bernard ter Haar en Kees Vendrik op de aanloop naar de eurocrisis, en van de visie van Robert Went op de recente grote verschuivingen in de wereldeconomie.

Zijn vrees dat Nederlanders niet bereid zouden zijn om de hand in eigen boezem te steken, zal stellig zijn weggenomen door de tirades van Ewald Engelen, die tekeer ging tegen de beleidsdominantie van de Nederlandse exportmaffia en de daaruit voortvloeiende loonmatiging als oplossing voor alle kwalen.

De crisis had veel te maken met de wereldwijd falende financiële professie en met de implementatiefouten van de euro, daarover is het gezelschap het wel eens. Over de vraag wat we daarvan kunnen leren en wat we eraan moeten doen, vinden zij elkaar vooral in hun afkeer van het zo hardnekkig doorgezette Europese bezuinigingsbeleid, en in hun vrees voor de ontoereikendheid van de hervormingen van het bankwezen. De snelle overeenstemming over een Europees bankentoezicht is een stap in de goede richting – ook daarover zijn ze het eens. Bas Jacobs vindt de financiële rugdekking voor het nieuwe stelsel echter veel te schraal. En elders aan tafel is men van mening dat de grens tussen de saaie retailbanken (voor betalen en sparen) en de avontuurlijke handelsbanken (voor riskante transacties) veel scherper zou moeten zijn. Maar ja, dat zou een ingewikkeld proces zijn.

Wouter Bos maakt zich in zijn bijdrage begrijpelijkerwijs zorgen over de oplopende spanning tussen enerzijds de stijgende euroscepsis bij de Europeanen, en anderzijds de voortracende soevereiniteitsoverdracht. Toch durft hij het risico van een nieuw referendum om de burgers te dwingen tot een finale keuze voor of tegen Europa, niet aan.

Het is, kortom, ook voor dit gezelschap gemakkelijker om kritiek te hebben op wat niet deugt, dan te bedenken wat wel moet.

Hoe kon het zo uit de hand lopen?

En de euro zelf? Het vertrouwen in de monetaire coördinatie is beschadigd, zegt Bernard ter Haar. En Arthur van Riel toont aan dat de geschiedenis van eerdere pogingen met vergelijkbare ambities (in Latijns-Amerika, via de Gouden Standaard of na de Tweede Wereldoorlog via de Bretton Woods-afspraken) niet bemoedigend is. Dat stemt niet vrolijk. Zou de euro eigenlijk wel kunnen overleven zonder verdergaande politieke integratie in Europa? De dinergasten vinden elkaar vooral in hun twijfels over de haalbaarheid van die laatste optie.

Hoe kon het eigenlijk zo enorm uit de hand lopen? Sommigen zien de wereldwijd toenemende inkomensongelijkheid als de grote boosdoener op de achtergrond, anderen houden het op kwaadaardige incompetentie bij velen, maar over één achterliggende oorzaak is iedereen het wel eens: er is wereldwijd gewoon veel te veel geld uitgeleend. Aan overheden en bedrijven, maar vooral ook aan burgers die de ruimte kregen zich te vertillen aan een veel te hoge hypotheek – in Nederland, maar vooral ook in de Verenigde Staten.

Het hoofdstuk van Egbert Kalse over dit onderwerp heeft de ontwapenende titel ‘Eigen schuld’, maar in Amerika wordt daar door velen heel anders over gedacht. In zijn boek Creditocracy and the Case for Debt Refusal legt Andrew Ross, een ‘Occupy Wall Street’-veteraan, de schuld bij iedereen behalve de partij die de lening aanging. En zijn recept ligt in de titel besloten: debt refusal, de opstand van de onfortuinlijke schuldenaren. Want waarom zouden landen wel kwijtschelding krijgen en zij niet?

Leven boven je stand

Het is niet moeilijk om het achterliggende sentiment te begrijpen, in een land waar het financiële systeem zich als samenzwering sluit rond de laagstverdienenden. Het hoofdstuk over studiefinanciering in het boek van Ross is nog het leerzaamste, al was het alleen maar omdat volgens sommige waarnemers zich daar de eerstvolgende zeepbel aan het opblazen is. De getallen zijn inderdaad angstaanjagend: 1.200 miljard dollar uitstaande schuld – and growing. Er vallen stellig lessen te leren voor het sociale leenstelsel dat de Nederlandse studenten te wachten staat.

Maar ondanks de kolkende verontwaardiging van Andrew Ross is schuldweigering als beweging moeilijk serieus te nemen, al was het alleen maar omdat Ross zelfs niet pretendeert een praktisch criterium aan te reiken om de schulden die in zijn ogen onacceptabel zijn en kwijtgescholden moeten worden, te onderscheiden van de rest. Zo blijft de conclusie overeind dat een flink deel van de wereldbevolking een aantal jaren flink boven zijn stand heeft geleefd, en daar nu een flinke, ongetwijfeld zeer oneerlijk verdeelde rekening voor krijgt gepresenteerd. Ross’ consistent rabiate afkeer van Wall Street had zich ook wel in een fractie van deze 280 pagina’s laten samenvatten.

Ook zonder de uitbundige aanwezigheid van Ross zullen de crisisdiners vast levendig zijn verlopen. Maar de voornaamste tekortkoming van het gelijknamige boek is dat nu juist van die levendigheid niets te merken is: het tafelgesprek omvatte vast meer dan deze zeventien erudiete en eigenwijze monologen. Leerzaam zijn ze zeker, maar ze tellen helaas niet op tot een samenhangend perspectief. Tot teleurstelling van Matthew Steinglass blijken aan het eind zijn nieuwe vrienden veel meer verdeeld dan toch al door hem gevreesd was, en veel minder invloedrijk dan gehoopt.

Het laatste woord over de financiële crisis is nog lang niet gesproken, het laatste boek nog lang niet geschreven. Zo resteert er tussen soep en toetje voorlopig nog voldoende om het over te hebben.