Opinie

    • Ilja Leonard Pfeijffer

Zoeken naar de ziel van schitterend Tilburg

Ik schrijf deze column vanuit Tilburg. Ik ben hier een week te gast als ‘Writer in Residence’, met de opdracht op zoek te gaan naar de ziel van de stad. En ik vind het geweldig, alleen al wegens die titel. Een waakzame agent die mij een standje wilde geven, omdat ik was overgestoken hoewel het voetgangerslicht op rood stond, wist ik de mond te snoeren door met een soort vanzelfsprekende autoriteit op zachte toon te zeggen: „Ik ben de Writer in Residence.” Hij salueerde met de hand aan de pet. In café Weemoed mocht ik al op mijn eerste avond mijn toch niet bepaald onaanzienlijke rekening laten staan tot de volgende dag. In andere cafés voel ik me al even welkom, alsof ik zijne excellentie Prins Carnaval in hoogsteigen persoon ben.

Terwijl ik deze column schrijf, vindt er een spoeddebat plaats over de deal die staatssecretaris Teeven in een vorige functie heeft gesloten met een grote boef, die met een paar miljoen euro met vervroegd emeritaat mocht. Misdaad loont, dat had ik altijd al gedacht. Er wordt ook gezocht naar een vliegtuig dat op mysterieuze wijze is verdwenen in een verre, exotische streek. Hoewel iedereen natuurlijk benadrukt dat het tragisch is, druipt het water ons uit de mondhoeken van fascinatie en sensatiezucht. Er is niets mysterieuzer dan een mysterie.

Maar in Tilburg zijn deze dingen ver weg. Of misschien lijkt dat voor mij maar zo, omdat ik geheel en al in beslag word genomen door mijn opdracht haar ziel te zoeken. Daartoe wandel ik door de zonnige straten en praat ik met zoveel mogelijk mensen. De wethouder van Cultuur vertelde over de problemen. Ze was helaas gedwongen geweest te bezuinigen. Met pijn in het hart had ze een typemachinemuseum moeten sluiten. „Ik wilde gewoon niet voor de kaasschaafmethode kiezen.” Haar politieke toekomst lijkt daarmee verkeken.

Gummbah had Tilburg ‘de Aldi onder de steden’ genoemd. Iemand die Suus heet, noemde het de Zebrastad: „We hebben hier alleen maar een Zeeman en een Wibra.” Ze zei het met pretoogjes die straalden van trots. Ze vertelde ook dat een toerist op de Korte Heuvel, het hart van het centrum, gevraagd had waar het centrum was. „Dat is toch schitterend.”

De ziel van Tilburg blijft vooralsnog net zo onvindbaar als een vliegtuig dat van de radar is gevallen, maar ik intensiveer mijn zoekacties en geniet van het mysterie. En met mijn tijdelijke Tilburgse blik vind ik het eigenlijk wel mooi dat je als topcrimineel niet eens belasting hoeft te betalen. Dan zoom ik uit naar Nederland als geheel, de Aldi onder de natiestaten, waar wordt gemopperd zoals Tilburgenaren mauwen, maar waar alles eigenlijk schitterend is.

    • Ilja Leonard Pfeijffer