Wit paard in ruil voor windmolen

Sumba, een van de armste eilanden van Indonesië, probeert met Nederlands geld duurzame energie te winnen. Technisch is dat niet ingewikkeld, maar eeuwenoude tradities zitten in de weg.

Traditioneel paardrijdersgevecht (Pasola) in Lamboya op Sumba ter viering van het begin van het rijstseizoen. Foto AP

Dorpshoofd Ndelu houdt van de heuvel die aan drie kanten de Sawuzee in steekt. Het gras is er mals, zodat de koeien kunnen grazen en vet op de botten krijgen, voordat deze maand de laatste regens vallen en het land dor wordt.

Het is een heilige plek voor Ndelu. Hij gelooft dat doden hier rondwaren. Ndelu en zijn dorpsgenoten komen er regelmatig om te bidden. Het is een aangename plek, met uitzicht op het zandstrand dat als een dunne witte streep richting de horizon verdwijnt. En het waait er altijd. Op het hete en droge Sumba is dat fijn.

Juist in die wind is Hivos, een Nederlandse non-gouvernementele ontwikkelingsorganisatie, geïnteresseerd. De heuvel zou dé perfecte plek kunnen zijn om een grote windmolen neer te zetten voor de opwekking van elektriciteit. Dat is geen overbodige luxe aangezien 40 procent van de 650.000 bewoners van het Indonesische eiland zonder stroom leeft.

Elektriciteit willen bewoners als Ndelu wel. Alleen op heilige grond mag je niet zo maar bouwen. De dorpelingen deden een voorstel: Hivos mag de landtong gebruiken, maar als bewijs van eerbied moet zij wel een paard slachten. En niet zo maar een paard, maar een wit paard.

Vooralsnog heeft er nog geen rituele slacht plaatsgevonden. Een Indonesische manager van Hivos heeft de lokale bevolking verteld dat de ontwikkelingsorganisatie juist geïnteresseerd is in de heuvel in zee omdat er geesten aanwezig zijn. Dit kon de bevolking begrijpen en Hivos mocht een testinstallatie bouwen om een jaar lang te meten of de plek geschikt is voor een grote windmolen. Maar als de Nederlanders van de heilige grond echt een windmolenpark willen maken, dan zal er een rituele slacht moeten plaatsvinden, verzekert Ndelu. „Inclusief feest”, zegt hij.

Grootse plannen

Hivos heeft grootse plannen voor Sumba, een van de armste eilanden in de archipel. In opdracht van de Indonesische overheid en in samenwerking met verschillende andere instanties moet Hivos ervoor zorgen dat de totale energieopwekking van het eiland duurzaam is. Het project trekt veel aandacht. Noorwegen steunt Hivos met 600.000 euro. De Aziatische ontwikkelingsbank levert voor een miljoen dollar technische assistentie. Nederland draagt ongeveer een miljoen euro bij.

De technische oplossingen zijn helemaal niet zo ingewikkeld, zegt Eco Matser van Hivos die verantwoordelijk is voor het project op Sumba. Hij staat naast een pompstation van beton. De zon gaat onder en werpt een warme gloed over het landschap. „Een pomphuis, een zonnepaneel en een irrigatiekanaal. Heel complex is het niet”, zegt Matser.

Maar het is precies wat de boeren nodig hebben. Ze hebben een groot akker, maar acht maanden per jaar is het te droog om er gewassen te verbouwen. Zo’n honderd meter verderop ligt een bron. Het water oppompen met een dieselgenerator is te duur, vertelt een van de boeren. De simpele oplossing van Hivos biedt uitkomst.

Over de waterpomp is nagedacht. De zonnepanelen en dure onderdelen van de pomp staan op een paar meter hoogte om diefstal te voorkomen. Het irrigatiekanaal is van beton en niet van ijzer, ook om jatten en aftappen te voorkomen. De boeren moeten zelf meebetalen aan het project en een coöperatie oprichten om de pomp te beheren.

De tijd dat ontwikkelingswerkers goedgelovig waren is op Sumba voorbij. Matser: „De gangbare aanpak is nu: als ontvangers niet zelf bijdragen of investeren, zullen ze veel minder de waarde van een project herkennen. De kans is dan groter dat het er na een tijdje verloederd bij ligt.”

Chinese kolencentrale

Bij Hivos erkennen ze zelf ook dat het duurzaam maken van de energieopwekking van Sumba een druppel op de gloeiende plaat is. Een Chinese kolencentrale richt in een paar minuten meer milieuschade aan dan Sumba in een heel jaar. Maar Hivos ziet Sumba als experiment. Het eiland ligt zeer geïsoleerd en er zijn weinig invloeden van buitenaf. Zo kan Hivos over een paar jaar goed meten of haar projecten het gewenste effect sorteren. Als de projecten aanslaan wil, de organisatie ze uitbreiden naar andere eilanden.

Op heuveltoppen wordt geëxperimenteerd met kleine windmolens die een paar huizen van stroom voorzien. Een waterval wordt deels omgeleid om een generator aan te drijven. De opgewekte elektriciteit gaat niet alleen naar huizen, maar ook naar twee grote zendmasten. Zo is ook het mobieletelefoniesignaal duurzaam. Het doel is via kleinschalige energie-opwekking de bewoners weerbaarder te maken.

Kay (23) is druk in de weer met een geit. Samen met de mannen van het dorp slachtte en vilde ze het beest. Met de vrouwen bereidt ze geitensoep voor. Graag zou ze in haar dorp elektriciteit hebben. „Luxegoederen als televisie en koelkasten zouden mooi zijn. Belangrijker is dat wij – vrouwen – dan langer kunnen doorwerken. We kunnen dan ook in het donker weven en hebben meer doeken om te verkopen”, zegt ze.

Een lichtsysteem op zonnecellen zou een uitkomst zijn en de 300.000 roepia (20 euro) die ze ervoor moeten betalen, hebben ze wel. „Een kokosnoot verkopen zij voor 1.000 roepia. Gewoon een kwestie van een tijd goed boeren op de markt”, zegt Petronella Lemba Eltu (40) die met een scherp mesje blokjes geit klein snijdt.

Elektriciteit of niet, Kay heeft eigenlijk maar één vurige wens: weer het land uit. Drie jaar lang werkte ze in Kuala Lumpur in de huishouding. Dat beviel. „De duizenden lichtjes van de Petronas-torens, de restaurants, de gekoelde winkelcentra. Terugkeren is mijn droom. Ik kan dan geld naar mijn ouders sturen en ook nog eens lekker shoppen”, zegt Kay. De moderne metropool lonkt en daar kan Hivos weinig aan veranderen.

Hivos heeft het rijk niet alleen op Sumba. In een grote truck komt een delegatie Japanners aanzetten met een lading kartonnen dozen. Het betreft de medewerkers van de afdeling maatschappelijke verantwoordelijkheid van Panasonic. „Panasonic doneert in India en Indonesië lampen met zonnecellen”, zegt delegatieleider Halhisa Okuda.

Snel gaat Okuda over tot de orde van de dag. De vrachtwagen wordt leeggehaald. Het uitdelen van de lampen moet wachten. Een zeskoppige filmcrew is onderweg. Panasonic helpt graag armoede bestrijden, maar doet dat niet zo maar. Pas als de camera is scherpgesteld mag een dorpsoudste de lamp in ontvangst nemen.

Het team van Hivos is in eerste instantie niet te spreken over de werkwijze van Panasonic. „Dit zou je kunnen zien als een manier om deze mensen te laten wennen aan de merknaam. Het is een vorm van klantenbinding. Ook zegt Panasonic de gebruikerservaringen van deze klanten mee te nemen. Ze gebruiken de bevolking dus als proefpersonen voor nieuwe producten”, zegt Matser. Een paar uur later is hij bijgedraaid. De lampen zagen er best goed uit en de bevolking leek er oprecht blij mee. Matser: „Misschien kunnen we de lampen van Panasonic verkopen in de energiewinkels die wij willen opzetten.”

Een paar dagen met ontwikkelingshulpexperts op pad gaan, betekent heel veel jargon aanhoren. De overheid, het lokale energiebedrijf en de lokale bestuurder heten allemaal stakeholders. Luisteren naar de mensen die je probeert te helpen is een bottom-up approach. Zorgen dat boeren hun oogst eerst zelf bewerken om voor een hogere prijs te verkopen is value-added supply chain management.

Duidelijk wordt ook dat een Nederlandse organisatie als Hivos door bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking steeds minder afhankelijk is van Nederlands geld. De Noren (oliegeld), de Australiërs (mijnbouwbaten) en de grote ontwikkelingsbanken worden belangrijker voor de duurzaamheidsprojecten.

Hulpindustrie

„Op zich is het heel goed dat wij steeds minder afhankelijk zijn van het ministerie van Buitenlandse Zaken als die ene grote donor. En er zijn zeker andere donoren die hun budgetten op peil houden. Maar dat weten andere organisaties ook. Iedereen dingt uiteindelijk naar hetzelfde potje”, zegt Jan Jaap Kleinrensink, directeur van Hivos in de regio Zuidoost-Azië.

Toch zijn de machinaties van de ontwikkelingshulpindustrie niet de grootste uitdaging voor Hivos. Die luidt nog steeds: zorgen dat hun rationele technische oplossingen aanslaan bij een bevolking met diepgewortelde culturele en religieuze overtuigingen.

Alexius Sebo (43) investeerde samen met Hivos in een biogascentrale naast zijn stal. De varkenspoep wordt direct omgezet in gas, waar zijn familie mee kan koken. Zo hoeft hij geen geld uit te geven aan diesel en hoeft zijn vrouw niet uren hout te sprokkelen. In de keuken van Sebo staat een keurig gastel met een pit. Trots laat de varkensboer zien hoe het blauwe gas aanschiet. Dat is de theorie.

Naast het gasstel staat een enorme pan water op een houtskoolvuur. „In Sumba koken wij altijd in grote potten. Het kookstel dat op de gasleiding aansluit, kan het gewicht van zo’n pot niet dragen. Daarom koken wij nog vaak op houtvuur”, zegt Sebo. Hij zegt blij te zijn met biogascentrale. Sebo moet onmiddellijk de varkenspoep opruimen en daardoor is zijn erf schoner. Het stinkt er minder. Maar of het voordeliger is, dat weet hij niet.

De biogascentrales zouden pas echt op grote schaal renderen als de boeren bereid zijn de mest van de honderden koeien op het eiland te gebruiken. Maar de Sumbanese traditie is om koeien vrij over het eiland te laten zwerven, waardoor hun uitwerpselen niet makkelijk verzameld kunnen worden. Matser: „Het is ons duidelijk dat het zeer moeilijk zou zijn om dat gebruik te veranderen. Daar richten wij ons eigenlijk niet eens meer op.”

Terug op de heilige heuvel in zee blijkt dat Hivos nog geen besluit heeft genomen over het slachten van het witte paard. De meningen zijn verdeeld. Een goede band met de lokale bevolking is van cruciaal belang om het project te laten slagen. Dat zou pleiten voor een bloedige ceremonie naar Sumbanese traditie.

Maar of het nou de bedoeling is dat Hivos, een organisatie op humanistische grondslag, zich moet inlaten met het onverdoofd slachten van een edel dier, weten de hulpexperts ook niet zeker. Misschien laten de meetresultaten wel zien dat de megawindmolen een paar honderd meter landinwaarts kan worden geplaatst.