Verspil geen energie aan alles wat misgaat

Bijna is Marte Kaan in India het lompe gedrag van Nederlanders ontwend. Ze heeft geleerd: maak je niet druk, de wereld is onvolmaakt.

Er zijn 11 miljoen straatkinderen in India. Alleen al in Mumbai leven zo’n 125.000 kinderen op straat. Foto Hollandse Hoogte / Christian Als

Ja, mevrouw, maar ik moet natuurlijk wel mijn werk kunnen blijven doen, hè?” snibt de KLM-purser als ik vraag of hij het gordijntje van de pantry wil dichtdoen wegens het licht dat op het gezicht van mijn anderhalfjarige dochter valt die probeert te slapen. Voor de goede orde: het is nacht, iedereen in het vliegtuig slaapt. Na acht maanden ‘Yes ma’am’ was het even wennen, de Nederlandse directheid.

Schrik niet. Dit wordt niet het zoveelste stuk over Nederlandse lompheid. Ik ga het hebben over de andere kant: wat er gebeurt wanneer je dat Nederlandse gedrag ontwent en je merkt dat je bepaalde trekjes overneemt van de cultuur waarin je je beweegt.

Het meest gehoorde euvel voor buitenlanders die zich in India vestigen, is het ontbreken van het woordje ‘nee’. Dat ontbreken wil allerminst zeggen dat het ‘ja’ is wat de klok slaat. Integendeel: het fenomeen kastje-naar-de-muur krijgt in deze contreien een geheel nieuwe diepte, en in onderhandelingen met mijn Indiase medemens trek ik geregeld aan het kortste eind.

Ik: „Ik laat het zondag weten, misschien maandag.”

Ander: „Zondag is prima.”

Ik: „Maandag is waarschijnlijk handiger, zou dat ook kunnen?”

Ander: „Zondag is prima, want dan (... onbelangrijke reden...)”

Deze conversatie vond plaats naar aanleiding van een nieuw huis dat we mogelijk zouden huren. We hadden ja gezegd, omdat de nieuwe huisbaas snel antwoord wilde, maar we wachtten ook nog op de reactie van onze huidige huisbaas: het opzeggen van de woning zou hem er misschien toe bewegen de huur drastisch te verlagen, wat gezien een aantal factoren (de vuilnisbeltvorming tegenover ons huis, bijvoorbeeld) aannemelijk was.

Kaarten tegen de borst geklemd

We speelden dus op twee tafels en hielden onze kaarten tegen de borst geklemd. Mijn ouders, die op bezoek waren, fronsten toen ze lucht kregen van onze strategie. Ik kon hen niet goed uitleggen waarom het kon, maar het had te maken met het feit dat de nieuwe huisbaas meteen een maand huur wilde hebben ‘to freeze the deal’. Dit onderstreepte de gedachte dat een deal pas een deal is wanneer er harde contanten tevoorschijn zijn gehaald. En dat er dus vanuit wordt gegaan dat elke onderhandelaar tot op het laatst onbetrouwbaar is. Toen we onze makelaar, die als tussenpersoon contact had met de huisbaas en niets wist van onze motieven, vertelde dat we bleven omdat onze oude huisbaas ons een aanbod had gedaan dat we niet konden afslaan, feliciteerde hij ons met onze onderhandelingtactiek. Geen woord over onduidelijkheid of oneerlijkheid.

Ik gedraag me niet helemaal eerlijk, omdat dit van me verwacht wordt. Het past niet bij de Hollandse recht-voor-z’n-raap-cultuur, waarin eerlijkheid het hoogste goed is. Het is niet transparant. Maar – en hier toont zich de eerste kleine culturele transformatie die twee jaar India teweeg heeft gebracht – ik vind het prettig. Elegant. Iedereen weet dat de ander een eigen agenda heeft en heeft daarvoor respect en begrip. Er zijn een paar grondregels die ervoor zorgen dat het werkt – en die meestal neerkomen op ‘zien is geloven’.

Wat me ook opvalt in het dagelijks sociale verkeer is dat mensen hier minder snel gekrenkt reageren. Indiase ego’s lijken minder in het geding, en of dat nu waar is of niet: het manoeuvreert een stuk meer ontspannen dan wanneer iedereen constant z’n punt wil maken. En natuurlijk bestaat de beledigde Indiër – het zijn net gewone mensen. Zo had ik het laatst aan de stok met een zeer gepikeerde taxichauffeur die zo verstoord was dat hij begon te klagen over het zand dat op zijn bekleding was gekomen, waarna ik vervolgens, evenals hij zeer infantiel opgaand in de strijd, heel omstandig zijn achterbank ging schoonmaken.

Dat soort demonstraties van kleinzieligheid buiten beschouwing latend: over het algemeen lijken mensen hier meer eelt op hun ziel te hebben. Als buitenlander leer je dan ook snel af je in het openbaar boos of anderszins emotioneel te gedragen, omdat je dan wordt aangestaard met een mengeling van deernis en gêne. Never lose your cool. De keren dat ik het wel deed, was het achteraf altijd alsof ik iets verloren had, zelfs als ik voor elkaar had gekregen wat ik wilde.

Mijn schuldgevoel is afgenomen

De grootste winst die het leven in India me heeft opgeleverd, is dat mijn schuldgevoel is geslonken. Het schuldgevoel over het feit dat ik het beter heb dan veel mensen hier, over het feit dat ik geïrriteerd kan raken wanneer er bedelaars, vooral kinderen, op het autoraampje staan te tikken, omdat het me een machteloos gevoel geeft.

Ik zie het als winst dat mijn schuldgevoel is afgenomen, omdat het in dit geval niet meer is dan een hap lucht: een manier om de suggestie te wekken dat je verantwoordelijkheid neemt – zonder iets te doen. En met het verdwijnen van het schuldgevoel ontstaat ruimte voor de vraag hoe je een leven kunt leiden dat in overeenstemming is met je waarden. In plaats van te zwelgen in het feit dat je niet de hele wereld kunt helpen, kun je je aandacht richten op de kleinere dingen die je wel kunt doen: zorgen voor de mensen in je directe omgeving, bijvoorbeeld.

Door die afname van schuldgevoel vind ik het bovendien veel gemakkelijker mensen te vragen dingen voor me te doen: ik kan nu iets vragen aan onze nanny en kokkin zonder me opgelaten te voelen. De Nederlandse cultuur is zo plat (in Nederland vond ik het al lastig de schoonmaakster te vragen de ramen te lappen) en de Indiase zo hiërarchisch, dat de overstap van de ene naar de andere bij veel mensen een grote schok veroorzaakt. Dit resulteert ofwel in verzet, hetgeen leidt tot frustratie, of in aanpassing en uiteindelijk, na een fase van trial and error, in nieuw gedrag. In mijn geval betekent dat: direct vragen of iemand iets wil doen, zonder de ‘zou je misschien heel even als je tijd hebt, sorry, het spijt me...’, zonder vervolgens het verzoek te halveren, daar dan over klagen, er toch niets over zeggen en het uiteindelijk zelf doen. En daar dan weer geïrriteerd over zijn.

Wat alle verschillen in sociaal gedrag met elkaar gemeen hebben, is dat ze uitgaan van onvolmaaktheid. De wereld is niet perfect, en mensen al helemaal niet, ze zijn uit op hun eigen gewin en je moet duidelijk zijn tegen degenen met wie je werkt. En wanneer er dingen misgaan, verspil je daar geen woorden of emoties aan. Dat kun je pessimistisch noemen, maar voor mij gaat er wijsheid vanuit. Het doet me denken aan het gedicht Mens van de onlangs overleden Leo Vroman, over de mens als een zacht machientje, dat eindigt met de regels:

Loop zachtjes om hem heen en

ga elders om hem wenen,

maar laat hem staan.

De mens is een zacht machientje dat je tegen zichzelf in bescherming moet nemen. Waarmee je hem bij voorbaat vergeeft.