Onvermoeibaar in de strijd tegen het grote geld

Tony Benn 1925-2014

Tot aan zijn dood trok de linkse Britse Labour-politicus Tony Benn volgelingen aan. Hij vond dat Blair het hart van Labour aan de City uitleverde.

Pijp in de mond: het handelsmerk van Tony Benn. Dit is een foto uit 2003. Foto Reuters

De oud-politicus schuifelde de zaal in, zijn pijp in de mond. Het bleef niet lang onopgemerkt; adorerende, veelal jonge activisten dromden om hem heen. Ze hingen aan zijn lippen. Zo ging het altijd als Tony Benn, held van Brits links, ergens binnenkwam.

Vanochtend overleed hij op 88-jarige leeftijd.

Anthony Neil Wedgwood Benn werd geboren in een politieke familie. Zijn vader en beide grootvaders waren lid van het Lagerhuis (zijn zoon Hilary is dat nog steeds). Na de Tweede Wereldoorlog, waarin Benn in de luchtmacht diende, en een korte carrière bij de BBC, werd hij op zijn 25ste parlementslid namens Labour.

Bekendheid kreeg Benn in 1960 toen hij na de dood van zijn vader diens titel Burggraaf Stansgate erfde. Dat betekende automatisch lidmaatschap van het Hogerhuis, en royering van het Lagerhuis. Met succes voerde Benn campagne om afstand te mogen doen van zijn titel en zetel, wat in 1963 leidde tot een wetswijziging.

Hij werd een commoner, een gewone burger, en zou zich vijftig jaar lang ook vooral inzetten voor de gewone man. Benn stond zij aan zij met stakende mijnwerkers, streed tegen de poll tax (gemeenschapsbelasting) die Margaret Thatcher wilde invoeren, en verzette zich tegen de oorlogen in Irak. Tot zijn dood was hij voorzitter van de Stop the War-coalitie. Hij was de laatste westerling die Saddam Hussein interviewde over diens massavernietigingswapens, voor de zender Channel 4.

Onder premier Harold Wilson (1974-1976) werd de charismatische, scherpzinnige en oratorisch sterke Benn staatssecretaris voor Technologie, en later minister voor Energie en Industrie. Hij zag onder meer toe op de exploratie van olie in de Noordzee. Hij werd toen nog gezien als relatief gematigd, maar, zoals hij in 1999 tegen deze krant zei: „Met het stijgen der jaren worden wij Benns steeds linkser”. Radicale linkse ideeën worden inmiddels in de Britse politiek omschreven als Bennite.

Zijn neergang begon in 1983, toen Labour – diep verscheurd tussen Benns radicale socialisten en gematigdere partijleden – de verkiezingen verloor. Het verkiezingspamflet dat hij had opgesteld werd later „de langste zelfmoordbrief in de geschiedenis” genoemd. De Bennites werden steeds meer gezien als een hinderlijke minderheid binnen de partij. En naarmate Labour onder achtereenvolgende leiders als Michael Foot, Neil Kinnock, John Smith en Tony Blair steeds meer opschoof naar het centrum, verloor Benn terrein. Toen Blair artikel 4 uit het partijmanifest schrapte, waarin stond dat Labour nationalisering van productiemiddelen voorstond, klaagde Benn dat „Labours hart aan de City wordt uitgeleverd”.

Benn keerde het Lagerhuis de rug toe. Niet dat hij met pensioen ging. Tegen deze krant zei hij dat parlementaire politiek „een ritueel” was geworden. „De echte macht ligt toch bij de premier, bij de centrale bank, bij de NAVO, bij Monsanto [een internationaal biotechnologiebedrijf], bij de Wereldhandelsorganisatie en bij Wall Street. Wat in de huidige politiek ontbreekt zijn mensen die de vrijheid hebben om zelf te denken, van mening durven verschillen en die de mensen steunen die ze vertegenwoordigen.”

Buiten het Lagerhuis vond hij die vrijheid. Zijn populaire eenmansshows in het theater en zijn fascinerende dagboeken – Benn schreef iedere dag en nam alle interviews die hij gaf op – gaven hem een heel nieuw publiek. Zo sprak hij in 2002 op het popfestival Glastonbury, en in 2011 op de trappen van St Paul’s Cathedral bij het kamp van de Occupy-beweging. Zijn laatste dagboek, A Blaze of Autumn Sunshine, verscheen vorig jaar.

    • Titia Ketelaar