Column

Nice song, Mark

‘Wat hield jullie de laatste tijd zoal bezig?”, zal president Obama aan collega Mark Rutte vragen als hij binnenkort in Den Haag op bezoek komt. Obama houdt van inhoud, niet van koetjes en kalfjes, zelfs niet als ze van Nederlandse makelij zijn. Terwijl onze premier aarzelt, zegt Obama al: „Ik bedoel: wat was het gesprek van de dag? Oekraïne?”

„Calm after the Storm”, kucht Rutte. De president kijkt hem verbaasd aan. „Wat is dat? Een legeroefening?”

„Een lied”, zucht Rutte. De wenkbrauwen van de president gaan flink omhoog. „Een nieuw volkslied of zo?”

„Onze inzending voor het Eurovisie Songfestival”, zegt Rutte nerveus, „dat vindt elk jaar plaats, er deden de laatste keer 36 landen aan mee en er keken 170 miljoen mensen naar.” Obama lacht. „Wow! Lijkt me goed voor Europa. En wat voor Europa goed is, kan ook voor ons goed zijn. Wat zingen ze? Klassiek, pop?”

„Rotzooi”, zou de premier het liefst antwoorden want hij houdt zelf vooral van klassieke muziek – Brahms, Scarlatti, Schubert, dat werk. Maar hij weet zich in te houden. „Meezingliedjes met een hoop gedoe eromheen.” De president knikt nadenkend. „Waarom zingen jullie in het Engels?”

„Dat is in Nederland heel normaal geworden”, zegt Rutte, „onze taal wordt geleidelijk overgenomen door het Engels. Op universiteiten en in het bedrijfsleven spreekt men steeds meer Engels. Ook in de horeca is de bediening soms al Engels. Nou ja, jullie hebben dat toch ook met het Spaans?”

„Omdat wij veel Spaanstalige immigranten hebben”, zegt Obama. „Zoveel Engelstalige immigranten hebben jullie toch niet?”

„Wij hebben meer Polen”, beaamt Rutte, maar hij heeft meteen spijt van dit antwoord, want Obama is ook vandaag alert genoeg om het minzaam af te straffen: „Spreken jullie tegenwoordig dan ook al meer Pools?”

Om de aandacht af te leiden, pakt Rutte zijn iPad. „Wil je misschien Calm after the Storm eens horen?”

„Waarom niet”, zegt de president, die weet dat je bij zo’n bezoek altijd moet openstaan voor de locale folklore. Ze staan nu voor het venster van Ruttes werkkamer in het Torentje, de president kijkt peinzend in het rimpelloze water van de Hofvijver; hij betrapt zich op het verlangen naar de diepe rust van een land waar ze zich vooral druk maken over een songfestivalliedje. Rutte toont hem zijn iPad. De president ziet en hoort een blonde vrouw en een donkere man zingen. Het klinkt Engels, maar hij verstaat er vrijwel geen woord van. Kunnen ze niet wat duidelijker articuleren? Er is een storm geweest en nu is het weer rustiger, zoveel is duidelijk. De twee kijken elkaar niet aan, ze zullen toch geen ruzie hebben? Er klinkt een gemoedelijk gitaarriffje, de twee zingen nog een paar keer van oeh – en dan is het alweer voorbij. „Hoe vind je het?”, vraagt Rutte gemaakt enthousiast. „Wat vinden jullie er in Nederland zelf van?”, ontwijkt de president diplomatiek. „De meningen van de deskundigen lopen nogal uiteen”, zegt Rutte, „sommigen noemen het een prachtliedje, anderen vinden dat er te weinig drama en sjalalie-effect in zit.”

„Sjalawat?”, vraagt de president. „Sjalalie”, zegt de premier.

„Nice song, Mark”, zegt Obama ten slotte, „maar ik kom uit een land met een rijke country-and-westerntraditie. Wij hébben al duizenden van dit soort liedjes, hadden jullie er niet beter eentje van ons kunnen lenen?”