Mythische plek Op de Krim voel je nog altijd de Sovjet-Unie

De Krim spreekt tot ieders verbeelding. In de eerste plaats natuurlijk dankzij Jalta, het kuuroord waar menig beroemde Rus heeft vertoefd, met Tsjechov misschien wel als de bekendste. Lees De dame met het hondje, dat je als weinig anders de lome en vermoeide negentiende eeuw van Rusland doet proeven.

Zonder dat verhaal zou Jalta waarschijnlijk nooit zo’n grote reputatie hebben gekregen. Uit dankbaarheid staat die hypergevoelige dame, Anna Sergejevna von Diderits, in brons gegoten tegenwoordig op de kop van de promenade, met haar schepper in een nonchalante pose naast zich.

Meer dan honderd jaar geleden schreef Tsjechov die meesterlijke beginzin: ‘Ze zeiden dat op de promenade een nieuwkomer was verschenen: een dame met een hondje’.

Die dame loopt er nog altijd, maar draagt nu een witte minirok en een strak truitje. In plaats van een parasol houdt ze in haar linkerhand een met veel goudbeslag versierde witte tas. In het begin van de eenentwintigste eeuw is zíj de verleider. Op haar hoge hakken, naast haar witte foxterriër, biedt ze haar jonge lichaam aan in ruil voor vijftig euro. „Ga je met me mee?” vraagt ze uitdagend aan iedere man van wie ze de blikken vangt.

Tientallen kleine huisjes in het veld

In Simferopol, de hoofdstad van het schiereiland, mengt de wereld van de etnische Russen zich met die van de Oekraïners en vooral met die van de Tataren. Langs de weg naar Jalta prijken tientallen kleine huisjes van lichtbruin zandsteen als hooimijten in het veld.

Ze worden bewoond door Tataarse migranten, die sinds kort naar de Krim zijn teruggekeerd uit Tadzjikistan, Oezbekistan, Kazachstan en Siberië: de ballingsoorden waarnaartoe hun ouders in mei 1944 op last van Stalin werden gedeporteerd als straf voor vermeende collaboratie met de Duitse bezetter. Dankzij hun recente remigratie zijn veel van die dorpen weer net zo Tataars als voor de verovering van de Krim door Catharina de Grote in 1783.

Als je van Simferopol naar Jalta rijdt, krijgt het landschap geleidelijk aan subtropische allure. De bergen maken plaats voor een wijngebied en daarna begint de Russische Côte d’Azur. Dit is het Oekraïense zuiden aan zee, zoals schrijver Konstantin Paustovski dat in zijn memoires beschrijft, een wereld met cipressen en palmbomen en zoele, zoete geuren.

Maar ook hier waart het spook van de Sovjet-Unie nog altijd rond, want zodra je aan die onverwachte schoonheid gewend bent, duikt de bijna beledigende lelijkheid van het communisme op in de vorm van het ene na het andere afzichtelijke sanatorium in bunkervermomming. Na de laatste bocht voor Jalta krijgen ze gezelschap van vervallen flatgebouwen.

Eenmaal in het centrum van het oude kuuroord hervat het leven zijn slome tred en lijkt de tijd te hebben stilgestaan. Jalta hult zich, op de gerestaureerde en lawaaiige wandelpromenade na, in een versleten tropenpak. Die neergang wordt nog eens onderstreept door de gebutste trolleybussen, die uit de jaren vijftig stammen. In de straten achter de promenade stinkt het naar afval. De eens pronkerige negentiende-eeuwse villa’s zijn verveloos.

Op de promenade wemelt het van de hoeren en de dronkelappen. Er hangt een sfeer om hen heen van een club die altijd open is. Drank vloeit er rijkelijk, waarmee je een droomwereld kunt creëren waar alles voor de afwisseling nu eens mooi is en geen inflatie bestaat. Geheelonthouding is hier een onbekend begrip.

Op de rede liggen cruiseschepen voor anker, die de Zwarte Zeekust af varen. Aan boord hangen Britten, Duitsers en Nederlanders rond, de laatsten in korte broek en op sandalen.

De promenade is clean gerestaureerd, dankzij het witgewassen geld van rijke Russische en Oekraïense zakenlieden. De vernieuwde negentiende-eeuwse sanatoria en hotels ogen alsof ze net uit de banketbakkersoven komen. Uit de cafés, restaurants en eeuwig geopende nachtclubs walmt heavymetalmuziek, die ieder nostalgisch verlangen naar de tijd van Tsjechov onmogelijk maakt.

En toch zal Jalta in die laatste jaren van de negentiende eeuw ongeveer zo zijn geweest als nu. Ook toen gingen velen er niet heen om te kuren, maar om zich een tijdje onder te dompelen in ontucht en drinkgelagen.

Niet alleen Tsjechov, ook Tolstoj

Een andere schrijver die er heeft gewoond is Lev Tolstoj. In 1854 kwam hij er voor het eerst, toen hij als 25-jarige officier van het tsaristische leger overplaatsing naar de Krim aanvroeg, uit patriottisme. De Krimoorlog tegen de Turken, Britten, Fransen en Sardijnen in 1854 was in volle gang. Een jaar later zat hij op het vierde en meest beschoten bastion van Sebastopol. Hij schreef in die tijd veel, zoals de reportage Sebastopol in december, over de sleur van de oorlog.

In 1853 had Rusland de Turkse Sultan de oorlog verklaard. Het argument voor die actie was dat de tsaar Russisch-orthodoxe gelovigen in een aantal heilige plaatsen van het door de Turken bezette Palestina moest beschermen, een situatie die aan het Russische ingrijpen op de huidige Krim doet denken. Frankrijk en Engeland schaarden zich aan de zijde van de sultan, omdat ze op die manier hoopten de Russische invloed op de Middellandse Zee te kunnen inperken.

De Krim werd door die oorlog een mythische plek, vereerd in films en boeken over the lady with the lamp: verpleegster Florence Nightingale, die tijdens de oorlog de gewonden verpleegde na de slag bij Balaclava. Nergens komen verleden en heden dezer dagen zo bij elkaar als hier.