Je moet er niet van wakker liggen

‘Hé!” Mijn vriendin draait zich midden in de nacht naar me toe. „Zit jij te piekeren?”

„Hoe kom je daar nou bij?” Omdat ik weet dat zij altijd wakker wordt van mijn gewoel, probeer ik al een paar uur lang zo min mogelijk te bewegen.

„Ik hoor je denken”, zegt ze.

„Dat kan niet.”

„Wel.” Ze knipt het nachtlampje aan. „Dat merk ik toch.”

Nu weet ze vast en zeker ook waaróm ik niet kan slapen.

„Is het die wedstrijd?”, vraagt ze.

Ik knik naar mijn helderziende vriendin.

„Schatje toch.” Ze aait me door m’n haar. „Laat het gaan.”

Het is precies wat de cursusleider, de praktijkbegeleiders en mijn coach de afgelopen maanden herhaaldelijk adviseerden. Als een speler, een trainer of het publiek je kritiek geeft, is het zinloos om je daar als scheids druk om te maken. Ze zijn gefrustreerd, ze zeggen maar wat, ze kunnen niet tegen hun verlies. „Je moet er niet van wakker liggen” heette dat, en dan knikte ik braaf of zei ik dat ik dat ook heus niet van plan was. En ik meende het. Ik vond mezelf zelfverzekerd genoeg om niet heel erg onder de indruk te zijn van een stomme opmerking of een belediging. Maar nu is het vier uur ’s nachts en kan ik er niks aan doen: ik lig er tóch wakker van.

Mijn vriendin gaat rechtop zitten. Blijkbaar kan zij pas slapen als ík kan slapen, dus krijgen we een nachtelijke praatsessie. Ze vraagt wat me precies dwarszit, bij wijze van antwoord haal ik m’n schouders op. De sessie is begonnen.

„Heb je iets verkeerd gedaan?”, probeert ze. „Een penalty gegeven die er geen was? Of andersom?”

Ik schud m’n hoofd.

„Maar?”

Het is dat zinnetje. Dat ene zinnetje vlak na de wedstrijd dat continu door m’n kop blijft spoken. De tijd zat erop, ik blies voor de laatste maal op mijn fluit. Twee teams hadden anderhalf uur lang een beschamende poging tot voetbal ten uitvoer gebracht, ik had me zonder al te veel moeite staande weten te houden en na afloop was ik me dan ook van geen kwaad bewust. Spelers schudden me de hand, bedankten me voor de leiding.

Toen kwam de trainer van een van de teams naar me toe. „Wij waren slecht, scheids”, zei hij, en terwijl ik hem in stilte om zijn uitzonderlijke zelfkennis bewonderde, vervolgde hij: „Maar jij was nog slechter.”

Mijn slaapkamerpsycholoog heeft me zwijgend aangehoord. „Wat een eikel”, zegt ze.

Ik knik.

„Maar je gelooft dat toch niet?”

Daar gaat het niet om. De kritiek kan me weinig schelen, een scheids kan het immers nooit voor iederéén goed doen. Het is die belediging, het feit dat iemand zoiets weloverwogen en in alle rust tegen een ander durft te zeggen. Daar kan ik dus heel erg van wakker liggen.

    • Menno Fernandes