Het land is vergiftigd

Het is drie jaar geleden dat in Syrië de opstand uitbrak De 27-jarige Maha Ghrer is activist van het eerste uur en verloor haar man In Utrecht vertelt ze hoe de situatie in haar land ontaardde in geweld

De Syrische activiste Maha Ghrer (27) staat in gedachten nog steeds op de barricades in Aleppo. Ze woont sinds een jaar in een klein flatje in de Turkse stad Gaziantep, niet ver van de Syrische grens en op twee uur rijden van haar oude woonplaats. Ze voelt zich afgesneden van haar vrienden en familie in Syrië, en van de opstand die tot haar afgrijzen is ontaard in een burgeroorlog, gekaapt door extremisten. Ze zit de hele dag op internet, volgt Facebook, bekijkt filmpjes op YouTube. „Het is enorm frustrerend”, zegt ze in een interview in Utrecht waar ze op bezoek is bij vredesbeweging Pax.

Vanuit Gaziantep coördineert Ghrer een scholenproject in Aleppo. Een van de scholen is vernoemd naar haar overleden echtgenoot Mustafa Qarman. Hij kwam eind 2012 om het leven toen een vreedzame demonstratie in Aleppo werd beschoten door het regeringsleger. Vlak daarvoor had hij besloten het land te verlaten. Het was te gevaarlijk geworden. Hij maakte vaak de cynische grap dat beide partijen hem dood wilden: het regime omdat hij een activist was, en de jihadisten omdat hij een shi’iet was.

„We gingen naar de wijk Bustan al-Qasr, waar we dingen moesten regelen voor het openen van onze eerste school”, vertelt Ghrer over de dag dat haar echtgenoot werd vermoord. „Maar ’s ochtends braken er protesten uit, en natuurlijk sloten we ons daarbij aan. Na de demonstratie stonden sommigen nog wat na te praten toen het leger op de wijk begon te schieten. Tien mensen overleden, onder wie Mustafa.”

Ze valt stil, slaat haar ogen neer en vraagt of het apparaat waarmee het interview wordt opgenomen uit mag.

De eerste slachting was in Homs

Maha Ghrer en Mustafa Qarman waren activisten van het eerste uur. Ze richtten Kesh Malek (schaakmat) op, een van de vele burgergroepen die in het begin van de opstand werden opgericht. Ze schreven protestliedjes, maakten spandoeken en stelden doodsberichten op als demonstranten waren gedood.

Als sunnitische vrouw en shi’itische man vormden ze voor de seculiere oppositie een symbool van de eenheid tussen de sektes in de opstand tegen het 43-jarige autoritaire bewind van de familie Assad. Maar van die eenheid is drie jaar na het begin van de opstand niets meer over. Anderhalf jaar van onderlinge slachtpartijen hebben gezorgd voor giftige haat tussen sunnieten en shi’ieten.

„De eerste slachting was in Homs”, zegt Ghrer, „dat herinner ik me nog goed. In een sunnitische straat, die naast een alawitische straat lag, werden hele families afgeslacht met messen. Dit gebeurde steeds vaker.”

Vanwege hun gemengde huwelijk waren Ghrer en haar man extra alert op toenemende spanningen tussen de sektes, ook al is Aleppo een overwegend sunnitische stad. „Voor de oorlog waren er nooit problemen. Nu zijn er regelmatig onderlinge ontvoeringen. Soms komen mensen er tijdens zo’n ontvoering achter dat het om hun eigen vrienden gaat.”

Hun ‘revolutie’ is gekaapt

Voor activisten als Ghrer is het moeilijk te verteren dat hun ‘revolutie’ voor een seculier en democratisch Syrië is gekaapt door gewapende groepen die allemaal hun eigen drijfveren hebben: sekte, klasse of gewoon opportunisme. De gewapende groepen rechtvaardigden hun strijd aanvankelijk nog met de bescherming van demonstranten tegen het regime.

Nadat de rebellen steeds meer gebieden hadden veroverd, veranderde het werk van de burgergroepen als Kesh Malek. „In de bevrijde delen van Aleppo waren de overheidsdiensten ingestort”, vertelt Ghrer. „Het vuilnis werd niet opgehaald, er werd geen recht gesproken, scholen en ziekenhuizen waren dicht. We besloten deze zaken zelf te regelen. Sommigen zetten veldhospitalen op, anderen gingen lesgeven.”

Maar de rebellen zagen in de burgergroepen al snel een bedreiging, en ze blokkeerden soms zelfs hun werk. Ghrer: „We hebben vaak gedemonstreerd als strijders van het Vrije Syrische Leger huizen hadden geplunderd of mensen hadden ontvoerd. Voor hen komt macht uit de loop van een geweer.”

Ze hakken handen af

Dat werd nog erger toen de aan Al-Qaeda gelieerde groepen het machtsvacuüm in Aleppo opvulden, zoals de extremistische Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIS). Die richtte religieuze rechtbanken op volgens de shari’a (islamitisch recht). De brute wijze waarop ISIS de orde handhaafde, werd door velen verkozen boven de enorme criminaliteit en wetteloosheid. Toch haten veel Syriërs de extremisten, meent Ghrer. „Ze hakken handen af van mensen die stelen, verbieden muziek en sigaretten.”

Burgergroepen vormden voor ISIS een bedreiging. Ghrer: „ISIS probeerde de Mustafa Qarman-school te sluiten omdat meisjes en jongens door elkaar zaten en shi’ieten er ook les kregen. We probeerden met ze te onderhandelen, maar gelukkig braken er daarna gevechten uit tussen ISIS en andere rebellengroepen en werden ze uit de stad verdreven.”

Hoewel veel activisten van het eerste uur zijn opgepakt of gedood, spelen burgergroepen nog steeds een belangrijke rol, zegt Ghrer. „Die groepen hebben nieuwe energie gekregen nu ISIS weg is. We hebben een project gepland over de identiteit van Syrië. Met verhalen en theater willen we kinderen onderwijzen over de geschiedenis van hun land. Want de discussies op Facebook zijn vergiftigd door sektarisme.”

    • Toon Beemsterboer