God is overal en wij hebben cola

Wie de bundel Het volume van een logé leest, vraagt zich af of dit wel poëzie is. Zijn dit geen filosofische bespiegelingen die, hoewel in principe prozaïsch, als poëzie op papier zijn gezet?

Annemieke Gerrist Foto Paul Levitton

‘Er worden soms zulke kleine dingen / verschoven en toch ze zingen,’ dichtte Pierre Kemp omstreeks 1960. Ruim vijftig jaar later lijken die regels toepasselijk op het werk van Annemieke Gerrist. Er gebeurt weinig in haar poëzie, maar haar schijnbaar terloopse verschuivingen roepen klinkklare beelden op. In 2008 debuteerde ze met Waar is een huis, waaruit bleek dat ze het handwerk van de vervreemding beheerst. In haar tweede bundel toont ze zich weer een meester in dit métier, nu ook in langere gedichten. Het titelgedicht van Het volume van een logé geeft ook het beste zicht op haar poëtische denkraam. De vragen en conclusies betreffen zeer alledaagse zaken, maar verheffen die boven het triviale. Daarin toont Gerrist zich verwant met K. Schippers. En net als hij verplaatst ze de blik van de lezer. Opvallend is de vaak puntsgewijze notering in haar poëzie. Lees bijvoorbeeld dit korte gedicht:

Mijn moeder visualiseert een vaas met bloemen

Mijn vader koopt ’s ochtends bloemen

God is overal, en wij hebben cola in de koelkast

O, engelbewaarders, er staan verhalen in de grond, wat bewaren jullie?

Ik kijk naar de grond op een voetpad

Dit lijkt eerder de notitie voor wat een vers zou kunnen worden dan een heus gedicht. Die gewaarwording bekroop mij vaker. Net als in haar debuutbundel hanteert Gerrist een vlotte collagetechniek, en ook nu levert die teksten op die zich loszingen van alle logische en lyrische conventies. Dat schept verdenkingen. Is dit wel poëzie? Of zijn dit filosofische bespiegelingen die, hoewel in principe prozaïsch, als poëzie op papier zijn gezet?

De soms ogenschijnlijk luchtige stapeling van de regels is verwarrend voor traditionele lezers, maar naar moderne poëziemaatstaven niet ongebruikelijk. De Franse dichter Raymond Queneau maakte in 1961 opmerkelijk gebruik van een willekeurige regelplaatsing. In Cent mille milliards de poèmes publiceerde hij tien sonnetten waarvan de regels van elkaar zijn losgesneden. Dit fröbelwerk maakt het mogelijk om de versregels van de sonnetten onderling te verwisselen, waardoor de bundel letterlijk honderdduizend miljard verschillende gedichten biedt.

Gedichten van Gerrist lenen zich voor een soortgelijk experiment. Het tweede vers van de bundel, met de beginregel ‘Vlak na het gesprek is het huis leeg’, blijft ook bij verwisseling van de regels een gedicht. En dit geldt voor meer verzen in Het volume van een logé. Samen zouden die volgens het Queneau-principe dus een ‘ontelbare’ collectie kunnen opleveren.

Deze uitweiding bedoel ik niet badinerend. Mijn vergelijkingen met Pierre Kemp, K. Schippers en Raymond Queneau zijn vooral complimenteus. Zelfs waar Gerrist soms wrevel wekt, intrigeert ze. Haar werk verdraagt ook zeker herlezing, en dan rijzen thematische vragen.

Wat betekent ‘huis’ voor Annemieke Gerrist? ‘Waar is een huis’ vroeg ze zich al af in haar eerste bundel. In deze duikt het woord ‘huis’ in zeker tien gedichten op. Zo staat er in het tweede gedicht van de bundel al: ‘Een huis is een mengeling van wat er wordt verwacht en van wat er te zien is ‘In mijn huis is iemand die altijd klaar zit // In de hoeken van het huis verdwijnt het huis’. En verderop: ‘Haal me weg, ik heb hier een huis gevonden’ en ‘Iemand had het huis rond haar dichtgemetseld’. Muren zijn dus niet altijd een beschutting, maar wat dan wel? Dichters verkiezen vragen boven antwoorden. Lezen en horen zeggen spelen een belangrijke rol in de bundel. En niet alleen waar Gerrist haar bron vermeldt, denk ik. Veel teksten die tussen aanhalingstekens staan lijken aan omgevingsgeluid ontleend. Dat draagt bij tot herkenning, en die is niet onmisbaar bij deze in al haar eenvoud complexe poëzie.

‘Toespraak’ is een standaardwoord in de titels van de gedichten in deze bundel. Dat lijkt een retorische truc, waarvan het nut mij niet duidelijk is. Gerrists verzen hebben een hoog prozagehalte, van simpele anekdote tot filosofisch traktaat, maar echte toespraken schrijft ze niet. Daarvoor zijn haar teksten te suggestief – dus poëzie.