Een crimineel in de klas. Is dat niet te gevaarlijk?

Het kabinet wil jongeren geen straf geven, maar naar school sturen. Rampzalig voor de rest van de klas, vinden scholen.

Het kabinet heeft een nieuw wetsvoorstel om de veiligheid te bevorderen: jeugddelinquenten krijgen geen straf, maar moeten onderwijs volgen. „Ter beschikkingstelling aan onderwijs” gaat de maatregel heten, tbo.

De gedachte achter het plan is niet onlogisch: jongeren zonder opleiding hebben een veel grotere kans om in de criminaliteit te raken. Bovendien knappen mensen vaak niet op van opsluiting. De tbo-maatregel duurt maximaal twee jaar en wie niet naar school gaat, draait alsnog de cel in.

Een volkomen onzinnig plan, zegt een lerares op een scholengemeenschap in de Randstad met een jeugdige ex-gedetineerde in een van haar havo-klassen. Ze wil niet met haar naam in de krant omwille van deze leerling. Natuurlijk volgt hij niet het voorbeeld van de oplettende kinderen, zegt ze, het is precies andersom. „Elke les weet hij ten minste acht anderen van het werk te houden, ook al zet ik hem helemaal vooraan. Hij kan zich volstrekt niet concentreren”, vertelt ze.

En dat is de grote zorg in het onderwijs: wat doet de maatregel met de andere kinderen in de klas? Bij de bekendmaking van de plannen wees de de MBO Raad ook op de gevaren voor scholen. Bijvoorbeeld als een rechter zou besluiten een jongere die veroordeeld is voor loverboy-praktijken of geweldsdelicten tbo op te leggen. „Van een aantal delicten is immers bekend dat de kans op recidive groot is.”

Ook de Algemene Onderwijsbond ziet gevaren. Docenten zijn volgens de bond niet toegerust om met criminele jongeren te werken. Die jongeren zouden daarom beter naar een school kunnen gaan die gespecialiseerd is in het werken met dit soort leerlingen dan naar het reguliere onderwijs.

Maar er is meer kritiek. Als criminele jongeren niet gemotiveerd zijn, dan kan dat gevolgen hebben voor de sfeer op school, voor de contacten met bedrijven waar de school nauw mee samenwerkt, maar ook voor de resultaten van de school. „Resultaten waar we streng op afgerekend worden door de inspectie.” Dat zegt Coby Zandbergen. Zij is voorzitter van het college van bestuur van vakschool Cibap – de instelling telt drie kleine vakscholen.

De kleine vakscholen leiden op voor hele specifieke creatieve beroepen als meubelmaker, vormgever en standontwerper. „Alles valt of staat bij motivatie”, zegt Zandbergen. Op een groot roc bied je iemand die het niet leuk vindt bij de verpleegopleiding een traject aan om beveiliger te worden. „Maar dat gaat hier niet.” En als dat niet gaat, is ze bang voor tegendraads gedrag. Met alle gevolgen van dien.

Op het ministerie kent men de kritiek. Maar daar is het antwoord: het onderwijs heeft wel vaker te maken met ongemotiveerde leerlingen. Door de leerplicht zitten scholieren verplicht in de schoolbanken: spijbelen is strafbaar. Bovendien legt de reclassering het volgen van een opleiding wel vaker op aan jeugddelinquenten. Bijvoorbeeld als maatregel bij een voorwaardelijke straf. En zo bekeken, is dit voor de scholen niet veel nieuws.

De MBO Raad vindt dat scholen nauw zullen moeten samenwerken met de reclassering en jeugdzorg. Dat gaat ook gebeuren, zegt Sjef van Gennip, directeur van Reclassering Nederland. Hij benadrukt het belang van de maatregel. Dwang kan heel effectief kan zijn bij gedragsverandering. „Het kan heel goed werken om geconfronteerd te worden met je eigen gedrag. En beloond te worden. Het is heel belangrijk dat deze jongeren weer een perspectief krijgen.”

Wel moeten realistische doelen worden gesteld, vindt de reclassering. „Een deel van de mensen die wij begeleiden is licht verstandelijk beperkt. Die hebben een andere dagbesteding nodig dan onderwijs.”

    • Elsje Jorritsma
    • Juliette Vasterman