De Paganini van de gitaar schrijft

Een fragmentarische, postume autobiografie, samengesteld uit een enorme hoeveelheid teksten en citaten, verhaalt over het curieuze leven van de zoekende, tobbende muzikant.

Het Londense appartement op Brook Street 23 dat Jimi Hendrix (1942-1970) een jaar voor zijn voortijdige dood betrok, wordt een aan de Amerikaanse gitarist-zanger gewijd museum, zo berichtten bijna alle kranten een paar maanden geleden. Hendrix’ huis, het eerste vaste adres sinds hij in 1961 de vaderlijke woning in de suburbs van Seattle had verlaten, ligt naast dat van de barokcomponist Georg Friedrich Händel (1685-1759).

Zelf dacht Hendrix dat hij niet naast maar in het huis van Händel woonde, zo blijkt uit een interview met hem in Starting At Zero, zijn postume autobiografie. ‘Tot ik erin trok, wist ik niet dat dit zijn hok was’, antwoordde Hendrix op de vraag hoe hij het vond om in Händels huis te wonen. En ja, hij hield heel erg van Händel, en van Bach trouwens ook. Alleen vond hij het luisteren naar hun muziek wel een ‘a homework type of thing’.

Starting At Zero is een bijproduct van de gelijknamige filmbiografie van Alan Douglas en Peter Neal, een Amerikaanse producer en Britse filmer die nog met Hendrix hebben gewerkt. Omdat ze voor hun film alleen gebruik wilden maken van citaten van Hendrix zelf, verzamelden ze alle interviews met en teksten van Hendrix. Dat leverde een ontzaglijke hoeveelheid tekst op, want niet alleen gaf Hendrix aan de lopende band interviews in de vier jaar dat hij een wereldster was, maar ook was hij een dwangmatige schrijver die steeds zijn gedachten en songteksten noteerde op servetten, sigarettenpakjes en ander papier dat hem onder handen kwam.

Uit alle teksten stelden Douglas en Neal het door Hendrix zelf vertelde levensverhaal samen van de ‘Paganini van de gitaar’, zoals een Italiaanse criticus hem eind jaren zestig noemde. De hoofdtekst lardeerden ze met enkele integrale interviews, songteksten en uitstapjes naar onderwerpen als de beste gitaar – de Fender Stratocaster, volgens Hendrix. Het fragmentarische karakter van Hendrix’ postume autobiografie wordt benadrukt doordat de bladzijden verschillende bladspiegels hebben en de tekst in verschillende kleuren, lettertypes en -groottes is gedrukt.

Het resultaat is een curieus maar fascinerend levensverhaal. Hendrix begint zijn autobiografie heel gewoon over hoe hij, een verlegen zoon van gescheiden ouders, op 14-jarige leeftijd een gitaar kreeg van zijn vader. Als linkshandige moest hij de gitaar omdraaien en had hij eerst geen idee hoe hij de ondersteboven gespannen snaren moest stemmen.

Amerikaanse leger

Zo gaat het verder. Hendrix verhaalt hoe hij op 17-jarige leeftijd zijn school verlaat en aanrommelt in de muziek tot hij twee jaar later wordt opgepakt wegens joyriding. In ruil voor straf neemt hij dienst in het Amerikaanse leger. Vijftien maanden later verlaat hij zijn Airborne-divisie wegens een bij een parachutesprong gebroken enkel die niet goed was genezen.

Hij begint een zwervend bestaan als muzikant en speelt bij onder anderen Little Richard, Wilson Pickett en The Isley Brothers. Na een paar jaar heeft hij weinig zin meer in een bestaan als slaggitarist die altijd dezelfde blues- en soulriedeltjes speelt. Hij gaat naar Greenwich Village, begin jaren zestig de artiestenwijk van New York, en speelt daar voor een habbekrats in de bars en clubs. Hier ontmoet hij Bob Dylan, voor wie hij een groot ontzag heeft en van wie hij leert dat een goede stem niet belangrijk is voor een zanger, ‘als je maar meent wat je zingt.’

In Greenwich Village ziet Chas Chandler, bassist van de Britse groep The Animals, Hendrix spelen. Hij herkent onmiddellijk Hendrix’ kolossale talent en charisma en haalt hem naar Londen om een ster van hem te maken. Dit lukt in verbijsterend korte tijd. In september 1966 komt Hendrix als berooide dakloze aan in Londen, drie maanden later haalt hij met de klassieker ‘Hey Joe’ zijn eerste hit, en even later nog een met ‘Purple Haze’. Twee jaar later is het trio van de The Jimi Hendrix Experience de best betaalde popgroep ter wereld.

Vanaf het moment dat hij in Londen aankomt, verandert Hendrix’ verhaal drastisch. Over zijn persoonlijke leven vertelt hij bijna niets meer en ook de drugs, groupies – electric ladies, noemt hij ze –, vernielde hotelkamers en al die andere dingen die toen bij een bestaan in de rock ‘n’ roll hoorden, brengt hij nauwelijks ter sprake. Op wat hippiegezeur over de kosmos, planeten en spiritualiteit na gaat het bijna uitsluitend over muziek. Voortdurend tobt hij over de nieuwe, nooit eerder gehoorde muziek die hij wil maken met zijn bandleden, Noel Redding (bas) en Mitch Mitchell (drums). Repeteren doet hij daarom nauwelijks, in de hoop dat improvisaties op bluesschema’s tot iets nieuws leiden.

Ook op de laatste bladzijden van zijn levensverhaal is Hendrix een zoekende muzikant. Hij voelt zich steeds meer gehinderd door de verwachtingen van zijn fans. Die willen alleen zijn oude hits horen en hem gitaar met zijn tanden zien spelen. Maar Hendrix zelf is veel meer geïnteresseerd in een nieuwe sound, een nieuw geluid, dat hij met oude én nieuwe middelen, zoals feedback, wil maken.

Vermoeidheid

Toch zijn er in het laatste hoofdstuk behalve zijn laatste, onvoltooide nummer, ‘Angel’, waarin hij zingt dat hij zich morgen aan de zijde van een engel zal voegen, geen aanwijzingen van zijn naderende dood. Ondanks zijn vermoeidheid door drie jaar van onafgebroken tournees en opnames zat hij aan het einde van zijn leven nog vol plannen. Hij wilde noten leren lezen en een grote band beginnen die ‘something else, like with Handel and Bach and Muddy Waters and flamenco’ zou spelen, schrijft hij, muziek met een nog ‘rijkere textuur dan The Planets van Holst’. Het kwam er niet meer van: op 18 september 1970 stikte Hendrix in zijn Londense huis na overvloedig drugsgebruik in zijn eigen braaksel.

    • Bernard Hulsman