De moderniteit is tien eeuwen oud

Vergeet de spreekwoordelijke duistere Middeleeuwen. In de monastieke literatuur van die tijd schuilt brille, maar bovenal legde die christelijke geestelijkheid toen al de grondslag voor de vrijheid van het individu.

Wanneer de heilige Bernardus van Clairvaux in de eerste helft van de twaalfde eeuw werkt aan een serie preken over het Hooglied, kan hij plotseling niet verder. Kort daarvoor is zijn broer gestorven, zijn steun en toeverlaat bij zijn pogingen het middeleeuwse kloosterleven te hervormen. Te lang heeft hij zich groot gehouden, nu stromen hem plotseling de tranen over de wangen. Pas in de volgende preek heeft hij zichzelf weer voldoende in de hand om zijn commentaar te vervolgen.

Gemakkelijk zou je daarin een modernisme avant la lettre kunnen zien. Dwars door de traditionele vormen van een preek komt de persoon van de schrijver zijn rechten opeisen. Dat leidt tot een dramatische stijlbreuk die het rauwe verdriet extra onderstreept. Bijna krijgt Bernardus’ preek de contouren van een literair experiment dat zich, heel modern, niets aantrekt van de grenzen tussen genres.

Toch is dat, zo schrijft Burcht Pranger in zijn fascinerende bundel God 1000-1300 en andere essays over literaire aspecten van het christendom, misleidend. Zorgvuldig ontrafelt hij Bernardus’ preek, om te laten zien hoe die daarin uiteindelijk toch weer terugkeert tot de monniken-spiritualiteit waarop hij zo’n grote invloed heeft uitgeoefend. Het is ‘de acrobatiek van de prediker die de eentonigheid van de monastieke rite onderbreekt en elektrificeert door op bijna theatrale wijze te doen alsof hij het technisch-professioneel karakter van de monastieke taal even opheft,’ aldus Pranger. ‘Maar juist in die suspense manifesteert hij zich als de monnik bij uitstek.’

Pranger is historicus van het christendom, met als specialisatie de monastieke literatuur uit de elfde en twaalfde eeuw. Dat klinkt niet opwindend. Maar essay na essay laat hij in deze bundel zien hoeveel intellectuele brille er schuilt in de teksten van auteurs die we, onder het vooroordeel van de ‘duistere’ Middeleeuwen, te gemakkelijk aan de kant schuiven. Dat hij daarbij zelf een niet minder grote brille en stilistische verfijning aan de dag legt, maakt dit boek alleen maar verbluffender.

Bruuskeren

Pranger schrikt er dan ook niet voor terug de geijkte meningen over het middeleeuwse christendom en de literaire erfenis daarvan danig te bruuskeren. Nee, het mengsel van klassieke tradities en ‘barbaarse’ vormen van het Oude en Nieuwe Testament bracht niet een minderwaardig soort schrijfsels voort, zoals classici vaak menen. En nee: het amalgaam van Grieks en Joods denken vormde geen verraad aan de bijbelse traditie, zoals recentelijk door theologen is beweerd. In de hybridische literatuur die daardoor ontstond kwam er juist een nieuwe ruimte vrij waarin schrijvers en lezers op ongehoorde wijze hun innerlijk leerden peilen. Kerkvader Augustinus, die bij Pranger een belangrijke plaats inneemt, vormde daarvan in de uitlopers van de Oudheid een voorbeeld bij uitstek.

Diezelfde Augustinus speelt, samen met apostel Paulus, ook een sleutelrol in de opzienbarende studie Inventing the Individual: The Origins of Western Liberalism van de Amerikaanse ideeënhistoricus en filosoof Larry Siedentop. En ook hij breekt met kracht een lans voor wat je het genie van de Middeleeuwen zou kunnen noemen. Want anders dan de gangbare overtuiging wil moet de oorsprong van de moderne vrije en seculiere politieke cultuur niet in de Renaissance worden gezocht, aldus Siedentop. Deze oogstte slechts wat stap voor stap in de voorafgaande eeuwen tot stand was gebracht.

Voor de Renaissance, en misschien wel meer voor de achttiende-eeuwse Verlichting , vormden de Middeleeuwen een lange onderbreking van de klassieke traditie van rede en vrijheid die de Oudheid met de nieuwe tijd verbond. Hoe duisterder de Middeleeuwen, des te briljanter schitterden zij, zo zou je enigszins boosaardig kunnen zeggen. Maar wat had de nieuwe tijd gemeen met de Oudheid? – vraagt Siedentop zich af. Berust de mythe van de ‘wedergeboorte’ daarvan in de vroege moderniteit niet op een groot misverstand?

Ook Siedentop zal menige classicus op zijn ziel trappen wanneer hij begint met de vaststelling dat de Oudheid ‘in vele opzichten een weerzinwekkende samenleving vormde’. Niet alleen was zij gebaseerd op het uitgangspunt van de ongelijkheid tussen mensen: tussen slaven en vrijen, autochtonen en allochtonen, adel en plebs, mannen en vrouwen, eerstgeborenen en diegenen die later kwamen. Ook is de ontspannenheid waarmee de Romeinse samenleving in het openbare leven met religie omging zeer misleidend. Op het vlak van de familie (van oudsher de enige echte hoeksteen van de samenleving) bleef zij een doorslaggevende rol spelen, niet in de laatste plaats als rechtvaardiging van de ongelijkheids-idee.

De doorslaggevende betekenis van het christendom was dat het aan die ongelijkheid een einde maakte, aldus Siedentop. Is de apostel Paulus (de ware ideoloog van deze nieuwe religieuze beweging) daarom niet de grootste revolutionair uit de hele westerse geschiedenis geweest? – zo vraagt hij zich retorisch af. Gedetailleerd beschrijft Siedentop vervolgens hoe deze gedachte in de loop der eeuwen niet alleen de samenleving en de politieke orde binnenstebuiten heeft gekeerd, maar ook de mens heeft omgevormd tot het vrije en autonome individu dat wij nu zijn.

Erfelijke kaste

Het was de middeleeuwse christelijke geestelijkheid, de enige intellectuelen van die tijd en vrijwel allemaal monniken, die volgens Siedentop de basis legden voor de contractstheorie waarmee de moderne tijd als háár vinding op de loop zou gaan. Zíj waren het die de grondslag legden voor de vrijheid van het individu: eerst als vrijheid van geweten, en vervolgens als politieke vrijheid. Zij waren het ook die, dankzij het celibaat, voorkwamen dat de geestelijkheid zich kon ontwikkelen tot een erfelijke kaste, losgesneden van de rest van de samenleving.

Die laatste is in dit boek misschien de verrassendste gedachte, tegendraads maar wel een eye-opener. Niet dat de middeleeuwse denkers dat effect bewust op het oog hadden, zo geeft Siedentop toe. Net als van de consequenties van veel van de andere noties die zij ontwikkelden, konden zij zich van de moderne samenleving geen enkele voorstelling maken. Maar dat betekent niet dat zij er niet de grondslag voor hebben gelegd. De kenmerkende eigenschappen van de hedendaagse cultuur ontwikkelden zich niet in strijd met de religieuze traditie, zoals de Verlichting wilde, maar als een erfenis daarvan.

Die gedachte is niet nieuw. Ze werd ruim dertig jaar geleden al geformuleerd door de Canadese filosoof Charles Taylor, die door Siedentop volledig wordt genegeerd. Daar is een reden voor. In zijn boek De bronnen van het zelf geeft ook Taylor Augustinus een grote rol, maar daarna springt hij direct over de Middeleeuwen heen naar Descartes. Een minutieuze lezing van de monastieke bronnen, zoals Siedentop, zoekt men bij hem vergeefs.

Wel stoten beiden op het intrinsieke probleem van de ideeëngeschiedenis. Gedachten kunnen nog zo diepzinnig zijn, zonder praktische toepassing blijven ze werkeloos in de lucht hangen. Zowel Taylor als Siedentop erkent dat – maar, zo repliceren zij, zónder ideeën ontwikkelt de geschiedenis zich evenmin. De relatieve afzondering waarin de middeleeuwse clerici en canonici hun theorieën ontwikkelden verklaart, aldus Siedentop, waarom er met de doorwerking ervan in de politieke werkelijkheid zoveel tijd is heengegaan.

Het gevaar dat wij de middeleeuwse bronnen lezen in het licht van vandaag, wordt door Siedentop wel onderkend, maar zijn verhaal weet daaraan niet altijd te ontkomen. Net als zijn soms wat hinderlijke neiging tot herhaling valt dat bezwaar echter weg tegen het onthullende en provocerende beeld dat hij weet te schilderen van het voorland van de moderne mens, de staat en de samenleving. ‘Duister’ zal men de intellectueel zinderende Middeleeuwen na lezing van deze beide boeken in ieder geval nooit meer durven noemen.