‘De jonge generatie is monsterlijk’

Een bange man laat zich door het tuig in Lima niet klein krijgen in de nieuwe, net vertaalde roman van de Peruaanse schrijver. Een gesprek over leugens in de politiek, zijn romanpersonages en moreel verval.

Mario Vargas Llosa: ‘Dit leven is toeval en daarna is alles voorbij? Dat is absurd’ Foto Felix Clay/eyevine/HH

Mario Vargas Llosa hangt uit het raam van zijn appartement in een straat om de hoek van het Odéon in Parijs, waar ik al een minuut of wat op zijn bel sta te drukken.

„Ha! Bent u daar? De Duitsers en de Nederlanders zijn altijd punctueel, dus ik dacht al, waar blijft u!” De bel is stuk, het ijs is gebroken. Wat bij Vargas Llosa helemaal niet nodig is, want hij is innemend, hartelijk en spraakzaam.

Het dienstmeisje komt binnen, met de thee. Lichtblauw uniform, inheems-Peruaanse trekken, van middelbare leeftijd. Vargas Llosa (bijna 79) stelt haar voor. „Dit is Juana, een landgenoot van mij. Ze spreekt prachtig Frans.”

Woont hij in Parijs (enkele maanden per jaar) dan is het in dit appartement, hartstochtelijk gevuld met tegen de muren steigerende boekenkasten. Hij zakt aan de ene kant van de sofa, gebaart naar de kant waar ik weg dien te zakken. „Zo. U komt praten over mijn nieuwe roman.”

Inderdaad. De Nederlandse vertaling verscheen net: De bescheiden held. Het is een mooi boek. Thriller, zedenschets en moraliteit in één, swingend opgebouwd volgens de methode-Vargas Llosa: tijd en plaats kunnen per alinea heen en weer schieten, terwijl er een vlechtwerk ontstaat met de wederwaardigheden van uiteenlopende personages, zoals de provinciaal Felicíto en, ver weg in een sjieke wijk van Lima, de zakenman Don Rigoberto.

Uitgangspunt van de roman is een advertentie in een krant in Peru. Felicíto, een ondernemer van nederige afkomst, kondigt ermee aan dat hij zich niet laat afpersen door het tuig dat hem met anonieme dreigbriefjes beschermingsgeld afhandig probeert te maken. Zijn zaak gaat in de fik, zijn minnares wordt ontvoerd. Hij wordt half gek van de zenuwen, terwijl zijn omgeving hem smeekt om te betalen. Zo veel is het niet en iedereen doet dat. Maar Felicíto geeft niet toe.

Die advertentie is historisch. Vargas Llosa las hem en wist waar zijn volgende boek over zou gaan: „Ik herkende een held die zich van zijn heldendom niet bewust is. Felicíto is als de dood maar hij brengt het niet op zich door gangsters te laten manipuleren. Zulk heldendom ligt extreem persoonlijk. Je kunt het niet uitleggen, je kunt er alleen naar handelen. Mensen als Felicíto zijn de kans op vooruitgang voor de beschaving. Ze laten zien dat fatsoen mogelijk is, ook in een frivole of corrupte omgeving.”

U verkeerde in zo’n milieu. De politiek. In 1990 dong u naar het presidentschap van Peru.

„Zeker, en dat was een pijnlijke ervaring. In een politieke campagne ontdek je de slechte kanten van de politiek.”

Wat bedoelt u?

„Dat je de hele tijd moet liegen. Iets anders is onmogelijk. Je ontkomt niet aan concessies.”

En dat noemt u liegen.

„Er zijn politici die strikt genomen niet liegen, maar ze zeggen de waarheid niet.”

Hoe pakte u dat zelf aan?

„Ik loog principieel niet. Ik vertelde precies wat ik van plan was te doen en ook welke offers dat zou vragen. Dat was mijn achilleshiel. Het maakte me een makkelijk doelwit. Mij kostte het mijn kandidatuur. Maar het was leerzaam. Ik heb geleerd dat de werkelijkheid te complex is om hem volledig rationeel te controleren.”

Hebt u als schrijver wel de controle over de werkelijkheid van uw boeken?

„In mijn romans doe ik geen concessies. In de kunst kun je streven naar perfectie, in de politiek is dat onmogelijk. Tenzij je overgaat tot massamoord. Geslaagde dictators naderen de perfectie, ten koste van miljoenen slachtoffers.’’

U heeft in dit boek alles in de hand. En ineens is daar een onwaarschijnlijk ideale jongen.

„Welke? Fonchito?”

Ja. Vijftien jaar oud. Zoon van zakenman don Rigoberto. Hij lijkt een engel.

„Of de duivel. Ik weet het ook niet, het is niet onmogelijk dat hij het allebei is. Hij is onvoorspelbaar, hij intrigeert iedereen. Mij ook. Daarom heb ik hem nu voor de derde keer een roman binnengesmokkeld. De eerste keer dook hij op in mijn boek Lof van de stiefmoeder [1988]. Daar ontstond deze familie: don Rigoberto, dona Lucrecia, en Fonchito – zijn zoon, haar stiefzoon. Hij is daar nog erg jong, maar het lijkt er op, al is het niet helemaal zeker, dat hij een affaire heeft met zijn stiefmoeder. Toen ik dat boek af had, wist ik al dat er meer in hem zat. Dus schreef ik Geheime notities van don Rigoberto [1997], een veel uitvoeriger boek over die familie. En nog steeds bleef Fonchito een raadsel voor me. Nu heb ik hem voor de derde keer opgevoerd en nog steeds blijft hij mysterieus. Het is een boeiende ervaring: ik bedacht een personage en het onttrekt zich aan mijn controle. In een realistisch verhaal zorgt hij voor een surrealistische dimensie. Ik denk dat ik over hem zal moeten blijven schrijven, om hem ooit te begrijpen. Nee, ik overdrijf niet, ik voel me gedwongen om over hem te schrijven.”

Mag u hem?

„Nou, ik zou niet zo’n zoon willen hebben. Mijn zoons waren ingewikkeld, maar vergeleken bij Fonchito…”

Fonchito verkeert met een messiaanse figuur, Edilberto Torres.

„Denkt u dat Edilberto Torres bestaat?’’

Wat denkt u?

„Ik weet het werkelijk niet. Niet alles is altijd verklaarbaar. Soms schiet de rede tekort, juist dat maakt het leven zo angstaanjagend.”

Edilberto Torres belooft Fonchito dat hij het probleem van zijn vader, die zwaar wordt geïntimideerd, op zal lossen...

„… en dat doet hij niet.”

Of wel? Volslagen onverwacht sterft er iemand en is don Rigoberto uit de brand.

Vargas Llosa krijgt nu de slappe lach. „O, op die manier! Hahaha. Nu ja, mensen sterven. En soms doen ze dat zomaar. Maarre… ja, zijn dood lost Don Rigoberto’s moeilijkheden op. U heeft gelijk, haha, het klopt.”

Fonchito brengt de religie in het gezin.

„Zelfs wie niet gelooft, is nieuwsgierig naar wat er gebeurt als hij sterft. Ik ben een agnost en toch vind ik het moeilijk om te accepteren dat alles dan is afgelopen. Dit leven is toeval en daarna is alles voorbij? Dat is absurd. Uit die gedachte is Edilberto Torres geboren. Wat hij doet en zegt en hoe hij eruit ziet, horen we van Fonchito. En ik geloof hem. Maar ook ik weet niet of hij Edilberto misschien verzint, zoals ik hém verzin.”

Hij schrijft een opstel over religie, het Kwaad en de vrije wil.

„Daar klopt het hart van dit boek.”

Waarmee Fonchito de hoofdpersoon is.

„Inderdaad. Maar dat weet hij zelf niet.”

Fonchito is jong, verder gaat deze roman over oude mannen.

„Ik ben er zelf een. Ik heb altijd over oude mannen geschreven maar nu begrijp ik ze beter. Ik ben ervan overtuigd dat het leven zo geweldig is, juist doordat we sterfelijk zijn. Als het eeuwig was, zou het leven extreem saai zijn.”

Hun zoons gedragen zich weerzinwekkend. Ze zijn crimineel, zelfgenoegzaam en volslagen oppervlakkig.

„En zo ongelukkig. Ik denk niet dat zich eerder in de geschiedenis zo’n diepe generatiekloof heeft voorgedaan. De ontwikkelingen in wetenschap en techniek brachten een morele revolutie teweeg waar de oudere generatie geen weerwoord op heeft en die de jonge generatie opsluit in een moreel vacuüm. Ze denken dat alles mag en moet kunnen, dat ze daar recht op hebben. Dat maakt ze monsterlijk.’’

U schetst een beschaving in verval. Is het echt zo erg?

„Het is heel erg. Achter de financiële crisis zit een breed uitwaaierende morele corruptie. Dat is werkelijk eng. Alleen als we hiervan leren is er redding mogelijk. En kijk naar Oekraïne. Het wilde Europees worden. Daar wordt het nu voor gestraft en Poetin kan doen wat hij wil – je hoopte toch dat zoiets nooit meer zou gebeuren. Maar het gebeurt.

De jonge mannen in uw roman kunnen niets goed doen.

„Vindt u het zo’n pessimistische roman?”

Wat betreft de jonge mensen: ja.

„De hoofdpersonen geven hoop.”

Dat zijn de oude mannen.

„En Fonchito dan? We weten niet wat hij zal doen. Misschien vindt hij een uitweg. Wacht op mijn volgende boek.”