De beschreven rouw was niet alleen rauw

In een achter-de-schermenboek over het ontstaan van zijn requiemroman Tonio probeert A.F.Th. van der Heijden het particuliere in een groots, literair verband te plaatsen. Voer voor neerlandici en liefhebbers dus.

‘Het wegvallen van Tonio zou in een biografie over mij sowieso het belangrijkste levensfeit vormen. Het boek zou meer over de vernietiging in mijn leven gaan dan over het scheppen.’ Het zijn twee veelzeggende zinnen uit A.F.Th. van der Heijdens Uitverkoren. De eerste is pijnlijk verdedigbaar, de tweede een al te bruuske gevolgtrekking.

Het ‘zusterboek’ Uitverkoren verhoudt zich tot Tonio als een boek over het scheppen tot een boek over de vernietiging in Van der Heijdens leven. Waar Tonio beschreef hoe de rouw om zijn verongelukte zoon hem de lust tot leven en schrijven bijkans ontnam – maar die vervolgens, juist door het schrijven van die ‘requiemroman’, als een feniks weer oprees uit zijn as – gaat Uitverkoren juist over die schepping.

Het ‘zusterboek’ brengt ons niet dichter bij Tonio, zoals de lezer misschien verwacht, maar wel dichter bij de schrijver Van der Heijden, die overpeinst of het Noodlot beschikt heeft dat hij de roman Tonio moest schrijven. Daarmee is het eerder voer voor neerlandici en andere liefhebbers van Van der Heijdens oeuvre, dan een ‘noodzakelijk’ addendum voor de honderdduizenden Tonio-lezers.

Het nieuwe materiaal in dit boek bestaat uit een ‘prozatekst in de toonaard van Tonio’ van 25 bladzijden, aangevuld met hoofdzakelijk geschreven interviews. Meer nog dan het dezelfde toonaard heeft als Tonio, is de prozatekst een variatie op hetzelfde thema als de requiemroman. De kruisgang naar de werkkamer, de walging en de pijn, de verhouding met zijn echtgenote en Tonio’s moeder Mirjam, zelfverwijten, de geitenboerderij – bekende elementen worden opnieuw aangestipt, maar nu beschreven op een essayistischer toon dan in Tonio, overpeinzender, minder rauw. Het geluid dat Uitverkoren toevoegt kan wellicht het best gezien worden als een parallelle stem, een extra partij in het orkest.

Daarmee strookt Uitverkoren volledig met wat Van der Heijden meestal doet: de polyfonie opzoeken, en het particuliere in een groots, literair verband plaatsen. Tegen wil en dank bleek dat laatste ook de kracht van Tonio. Hoe rauw dat ook leek, het feit dat het wel degelijk gecomponeerd was, en afkomstig van de vormende schrijvershand van Van der Heijden, maakte dat er een literaire zegen op rustte. De particuliere rouw werd door de verwoording publiek, dankzij de literaire stijl werd de banaliteit van de dood overtroffen.

We krijgen nu een blik op de draden en snoeren aan de achterkant van de compositie – dat de beschreven rouw niet alleen rauw was, geeft Van der Heijden onomwonden toe in de geschreven interviews, gegeven rond en na de verschijning van Tonio. Deze ‘verhandelingen over het pantonionisme’, zoals Van der Heijden ze doopt, vormen de hoofdmoot van Uitverkoren. Sommige zaken, zoals het onverkwikkelijke lijden van Mirjams moeder werden welbewust uit Tonio gefilterd. ‘Waar ik in zo’n geval voor kies’, schreef Van der Heijden aan Arjan Peters van de Volkskrant, ‘is net voldoende informatie over de pijnlijke kwestie prijsgeven om de geschiedenis begrijpelijk te houden. De lezer hoeft niet alles te weten.’

Ál die interviews lezen is veel van het goede. Immers: de thema’s zijn bekend, de herhaling gaat lichtelijk vermoeien. Toch is het interessant aan Uitverkoren om te zien hoe Van der Heijden, juist door die herhaling, steeds meer toont welke plaats Tonio inneemt binnen zijn hechte oeuvre. De schrijver is, zoals bekend, een meester in het tot een spinnenweb maken van zijn oeuvre, waaraan hij schrijvend draad na draad toevoegt, steeds meer verbindingen. Tonio is in die zin geen uitzondering – de requiemroman was maar tot op zekere hoogte een Fremdkörper.

Dat zegt veel meer over de schrijver Van der Heijden dan het ‘pantonionisme’, de gevoelsmatige alomtegenwoordigheid van zijn overleden zoon. Met de publicatie van dit autobiografische document, en met het gegeven dat hij doorschreef ná Tonio, haalt hij in feite de geciteerde stelling over zijn biografie onderuit. Als die er ooit komt, zal die juist niet moeten gaan over vernietiging, maar over het onvermoeibaar scheppen – al is dat tegen wil en dank.