Apocalyps toen

Het recent ontdekte Augsburgse wonderboek (1552), met gouaches van rampen, is nu in facsimile verschenen. Zie de tekenen Gods.

Van extreem weer konden ze meepraten, onze voorouders. Neem de eerste helft van de 16de eeuw. In 1527 bracht een verschrikkelijke storm een zwerm sprinkhanen uit Turkije mee; een jaar later vernielde een juni-hagelbui boven Augsburg voor een fortuin aan ruiten en fruitbomen; in 1529 deden gruwelijke hoosbuien de Rijn buiten zijn oevers treden; weer een jaar later werden Zeeland en Vlaanderen compleet overstroomd bij een novemberstorm; en in 1537 brak boven Heidelberg een zó hevig onweer los, dat de bliksem door het dak van het oude slot heen in de buskruitvoorraad sloeg – met desastreus resultaat.

Het valt allemaal na te lezen in het uitzonderlijk geïllustreerde Boek van wondertekens, dat in 1552 in de Zuid-Duitse handelsstad Augsburg gemaakt werd. Wat wij nu klimaatverandering noemen, was in de late Middeleeuwen en vroegmoderne tijd de hand van God (of de Duivel) en behoorde tot het genre van de wondertekens – net als natuurrampen, misgeboorten, bloedregens, graanhagelbuien en astronomische eigenaardigheden zoals kometen, dubbele regenbogen en kringen rondom zon en maan. Om die op waarde te schatten, te interpreteren, werden ze bij elkaar in grote boeken gezet, iets wat vooral populair werd vanaf 1500. Geen wonder, want mét de Reformatie, een tijd van onrust en onzekerheid, kwam de interesse in astrologische profetieën op; zei Luther niet dat de Paus de Antichrist was en het einde der tijden nabij?

Het Augsburgse wonderboek werd een jaar of tien geleden ontdekt en is nu in facsimile uitgegeven, 192 foliovellen in oblongformaat. Volgens uitgeverij Taschen verdiende het een luxe editie in cassette; het onderscheidt zich niet alleen van andere wonderboeken omdat het zich onthoudt van moralistische waarschuwingen, maar vooral doordat het zo schitterend geïllustreerd is: tweehonderd gouaches in contrasterende kleuren met daaronder een korte tekst in sierlijke letters geschreven.

De illustratiestijl is veel losser dan die in de getijdenboeken van een eeuw eerder; zo komen de bloedregens naar beneden met Japans aandoende streken, en de kometen en sneeuwbuien met proto-impressionistische waterverfeffecten. Te midden van het natuurgeweld zie je de mensen verweesd rondlopen of door de lucht slingeren. Sommige platen zijn echte zoekplaatjes waarop je verrassende details kunt tegenkomen, van monsterkoppen in de rivier tot gezichtjes in de hemel.

De maker van al dit moois maakt zich op Folio 117 ondershands bekend, wanneer hij bij de afbeeldingen van een tweekoppig kalf uit 1529 vermeldt dat hij, Hans Burgkmair de jonge, de huid van het kalf voor een halve gulden van een perkamentmaker heeft gekocht.

Van Burgkmair is niet veel meer bekend dan dat hij uit een schildersgeslacht kwam; zijn grote voorbeelden, om niet te zeggen Fundgruben, waren de bijbelillustraties van Hans Sebald Beham en de gravures en houtsneden van Hans Holbein. Maar hij is een meester van kleur, en van rampenpanorama’s.

Kijk maar naar zijn weergave van een explosie in Mechelen (1546), met uitslaande vlammen en apocalyptische rookwolken of naar zijn verbeelding van een aardbeving bij Napels (1456), waarbij je een middeleeuws Manhattan ziet waarop alle torens geknakt zijn.

Gebroken torens waren een symbool voor destructie in de wonderboeken, die ook verder aan bepaalde eisen moesten voldoen. Zo begon de chronologische opsomming van godstekens steevast met gebeurtenissen uit de Bijbel, in het geval van het Augsburger boek de Zondvloed, Sodom en Gomorra en Mozes bij de Rode Zee. Na de historische en eigentijdse gebeurtenissen – de laatste is een hagelstorm in Dordrecht uit 1552 – sloot ze af met het scala aan rampen dat wordt aangekondigd in de Openbaringen van Johannes. Niet ongeestig prijst de uitgever het boek op het achterplat aan met de slogan Apocalypse then. Maar het grappige is dat de zwarte duiveltjes, de mensenetende monsters en de veelkoppige draken uit de visioenen van de heilige van Patmos veel minder angstaanjagend zijn dan de natuurrampen uit de werkelijkheid.

Burgkmair had niet al te veel metafysica nodig om het lot van de mens in de maalstroom van de tijd over het voetlicht te brengen. Zoals W.H. Auden schreef in zijn gedicht ‘Musée des Beaux Arts’: ‘About suffering they were never wrong, the old masters.’

    • Pieter Steinz