Opinie

    • Menno Tamminga

Wat moeten we met ‘onze’ staatsbedrijven?

Energie is politiek en energiepolitiek is machtspolitiek. De Nederlandse én de Europese angsten voor afsluiting of prijsverhogingen van Russisch gas zijn het beste argument voor grensoverschrijdende doorbraken in onze energiepolitiek.

De basis ligt er. Drie weken geleden beschreven ministers Jeroen Dijsselbloem (Financiën, PvdA) en Henk Kamp (Economische Zaken, VVD) in een brief aan de Tweede Kamer de toekomst van twee staatsbedrijven met een cruciale functie in de energie-infrastructuur: Gasunie (gastransport) en TenneT, exploitant van de hoogspanningsnetten.

Het vorige kabinet Rutte van VVD en CDA mikte op particulier kapitaal voor Gasunie en Tennet. Maar met de PvdA in de regering is pseudoprivatisering geen optie. Dus betoogde het kabinet vorig jaar in de Nota staatsdeelnemingen dat Gasunie en TenneT cruciale schakels zijn die in overheidshanden blijven. Maar het kabinet schept wél de mogelijkheid dat zij kruiselingse aandelenparticipaties aangaan met buitenlandse exploitanten van vergelijkbare status. De brief aan de Kamer werkt dat concept verder uit, zonder overigens concreet te worden.

Deze oplossing is nu het kader voor nieuw politiek-economisch beleid over de grens heen. Het soort van industriepolitiek waar staatszaken én commerciële belangen vermengd worden. Politiek waar Nederland zich met zijn liberale handelstraditie altijd wat ongemakkelijk bij voelt.

De nieuwe industriepolitiek draait om de vraag: welke rol spelen ‘onze’ staatsbedrijven nu nationale markten in Noordwest Europa naar elkaar groeien en zelfs in elkaar gaan overlopen? Dat gaat over gas: hoe worden we minder afhankelijk van de Russen? Over stroom: hoe krijgen we de windenergie van de Noordzeeparken naar Nederland, Duitsland en dieper Europa in? Over openbaar vervoer: hoe krijgen we meer snelle treinen de grens over?

Maar dat gaat ook over de kansen in het buitenland van twee succesvolle havens: Luchthaven Schiphol en Havenbedrijf Rotterdam. Zij doen elk pogingen om hun kennis en netwerk uit te breiden. Dat moet leiden tot profijtelijke investeringen, maar ook tot klantenbinding en dus meer omzet op hun thuismarkt.

De groeimogelijkheid die het kabinet schetst voor Gasunie en TenneT is het samenwerkings- en participatiemodel uit 2008 van Schiphol. De Franse exploitant van vliegvelden Aéroports de Paris werd aandeelhouder van Schiphol (met verder de rijksoverheid en de gemeenten Amsterdam en Rotterdam) en Schiphol is een aandeelhouder van de Franse exploitant. Daarmee zijn de luchthavens elkaars partners tegenover hun grootste klant Air France-KLM.

Aantoonbare economische voordelen zijn het startpunt van zo’n grensoverschrijdende samenwerking, maar uiteindelijk moet er tussen de betrokken landen ook politiek overeenstemming zijn. Wat dat tweede betreft liggen er twee hindernissen. De eerste is het aangetaste aanzien van Gasunie en TenneT in de Nederlandse politiek. Zij hebben zelf bij hun eerste buitenlandse expansie in Duitsland meer (Gasunie) of minder (TenneT) mislukte overnames gedaan. Een deel van de overnamesom moet als verloren worden beschouwd. Pech, maar industriepolitiek gaat niet alleen om particulier aandeelhoudersrendement, ook om politieke macht, aanzien en het smeden van allianties.

De tweede hindernis is de politiek zelf. Welke buitenlandse overheid doet zaken met ons? Met wie willen wij dat?

Lees wat het Havenbedrijf Rotterdam (71 procent gemeente, 29 procent rijksoverheid) daarover zegt in zijn jaarverslag. In 2013 zijn geen nieuwe buitenlandse deelnemingen gelukt. „Het realiseren hiervan is complex en vertraagt veelal op institutionele en politieke gronden. Het vraagt langdurig investeren in de contacten ter plaatse.” Dat betekent dat Dijsselbloem en Kamp zelf op pad moeten, willen Gasunie en TenneT partners vinden in Europa.

    • Menno Tamminga