Vernieuw de wet – en houd de geheime diensten daaraan

De verhouding tussen de geheime diensten en het openbaar bestuur is aan herijking toe. Zoveel is duidelijk na de publicatie dinsdag van het verslag van de toezichtscommissie CTIVD en het eind vorig jaar verschenen rapport van de commissie-Dessens. De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) gaan met enige regelmaat hun boekje te buiten. Het lijkt erop dat het komt doordat dit boekje te dun is.

De keuze waarvoor kabinet en parlement nu staan is: of de diensten blijven binnen het keurslijf waarin de huidige wet hen heeft geregen, of de wet wordt, in een mate die verantwoord is, aangepast aan de in de praktijk gegroeide werkwijze van AIVD en MIVD.

Vernieuwing van de uit 2001 daterende Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is hoe dan ook nodig als gevolg van technologische ontwikkelingen (ICT) die aan het begin van deze eeuw nog niet waren voorzien. Zoals de commissie-Dessens al constateerde, is het onderscheid tussen ether en kabel niet te rijmen met de wijze waarop het dataverkeer en communicatie zich hebben ontwikkeld. Het kabinet heeft niet nu al aangekondigd dat het dit onderscheid opheft, omdat het nog bestudeert hoe te komen tot „een relevante norm waarbij de privacy van de Nederlandse burger blijft gewaarborgd”. Dat meldde ‘AIVD-minister’ Plasterk (PvdA) gisteren aan de Tweede Kamer. Een kwestie van tijd dus. En het zal zaak zijn daarbij zoveel mogelijk te anticiperen op technologische ontwikkelingen die in het jaar 2014 nog niet scherp voor ogen staan.

Die relevante norm is wel de kern van de zaak. Geheime diensten opereren per definitie in een schemergebied waarin de privacy van burgers moet worden afgewogen tegen de veiligheid van de staat en trouwens ook de internationale veiligheid. Het is nochtans pijnlijk dat de toezichthouder de MIVD en de AIVD enkele malen „onrechtmatig” handelen verwijt. Pijnlijk voor de diensten, maar ook voor de verantwoordelijke bestuurders – Plasterk en ook ‘MIVD-minister’ Hennis (VVD). De diensten verzuimden soms toestemming te vragen aan de betrokken minister of, op een lager niveau, de bevoegde ambtelijke leiding. Als ministers onwetend worden gehouden van sommige activiteiten van hun diensten, terwijl ze daarvoor wel hadden moeten worden geraadpleegd, belemmert dat per definitie ook de toch al niet eenvoudige parlementaire controle.

Een vernieuwde wet is dus nodig en vanzelfsprekend moet van AIVD en MIVD worden geëist dat ze zich daaraan houden. Al zullen zich in de praktijk dilemma’s blijven voordoen. Wie een terroristische aanslag wil voorkomen, heeft niet steeds de tijd om na te gaan of zijn acties wel in overeenstemming zijn met de Nederlandse wet.