Van Oostsanen: Hollands eerste oude meester

Schilder en prentenmaker Jacob Cornelisz van Oostsanen had in de zestiende eeuw een bloeiend familiebedrijf in de Kalverstraat. In Amsterdam en Alkmaar is een tentoonstelling in drie delen over hem.

Jacob Cornelisz van Oostsanen, De aanbidding van Christus met de familie Boelen, 1512. Olieverf op paneel, 128 x 177 cm. Collectie Museo e Galleria Nazionale di Capodimonte (Napels). Foto Stedelijk Museum Alkmaar

Oud-voetballer Ruud Gullit werkte vorig jaar mee aan een reclamefilmpje voor de heropening van het Rijksmuseum. Daarin laat hij een schilderij uit 1524 zien dat hem al sinds zijn jeugd fascineert: Salome met het hoofd van Johannes de Doper.

„Jammer dat Gullit er niet bij zegt dat het schilderij gemaakt is door Jacob Cornelisz van Oostsanen”, zegt Lidewij de Koekkoek, directeur van het Stedelijk Museum Alkmaar. Deze zestiende-eeuwse meester verdient meer bekendheid, vindt zij. Die mening deelt zij met Paul Spies, de directeur van het Amsterdam Museum. Daar lag al jaren het plan om een tentoonstelling te maken over Van Oostsanen, die zijn werkplaats had in de Kalverstraat. Het museum huist om de hoek. Ook De Koekkoek raakte geïnteresseerd in deze kunstenaar toen zij in de Grote of Sint Laurenskerk, pal naast haar museum, de prachtige gewelfschildering zag die Van Oostsanen daar maakte.

„Het is onbegrijpelijk dat hij tegenwoordig haast vergeten is”, zegt De Koekkoek. „Zijn werk hangt in musea overal ter wereld en bij kunsthistorici is hij een begrip, maar bij het grote publiek is hij onbekend. In de zestiende eeuw was hij een zeer succesvolle kunstenaar wiens werk geliefd was in binnen- en buitenland. Hij is de eerste Amsterdamse kunstenaar die bij naam bekend was. Zijn oeuvre is zeer breed; hij maakte niet alleen schilderijen voor welgestelde families, hij was ook prentenmaker, waardoor zijn werk wijd verspreid was onder de gewone bevolking. Daarnaast kreeg hij opdrachten van kerken, voor houtsneden, gewelfschilderingen en glasramen. Ook werden er priestergewaden geborduurd naar zijn ontwerpen.”

De gedeelde belangstelling van de musea voor Van Oostsanen leidde tot een tentoonstelling die is opgezet als een drieluik. Het Stedelijk Museum Alkmaar laat de rijkdom van zijn oeuvre zien, met bruiklenen uit de hele wereld, terwijl Amsterdam focust op de historische context: de handelsstad Amsterdam in de zestiende eeuw en zijn atelier in de Kalverstraat. En in de Sint Laurenskerk in Alkmaar is Het Laatste Oordeel (1519) te zien, de gewelfschildering die recentelijk werd gerestaureerd.

De tentoonstelling is een goed voorbeeld van samenwerking in de museumwereld. Het Rijksmuseum gaf ondersteuning: het leende een aantal topwerken uit, waaronder de favoriet van Gullit, en stelde een conservator vrij voor onderzoek. Ook de Radboud Universiteit in Nijmegen werkte mee: kunsthistorica Daantje Meuwissen, Van Oostsanen-kenner bij uitstek, was gastcurator en schreef een groot deel van de tentoonstellingscatalogus. Studenten hielpen mee bij het onderzoek.

Het aantal kunstwerken van Van Oostsanen dat bewaard is gebleven, is voor een zestiende-eeuwse kunstenaar aanzienlijk: 35 schilderijen, ruim 200 houtsneden, 2 gewelfschilderingen en een aantal glasruitjes en priestergewaden naar zijn ontwerp. Maar over zijn persoonlijk leven is bijna niets bekend. Zelfs zijn geboorte- en sterfdatum (ca. 1475-1533) zijn met onzekerheid omgeven. Ook is niet duidelijk waar hij zijn opleiding kreeg. Wel staat vast dat hij eigenlijk geen Van Oostsanen heette, maar War. Pas in de negentiende eeuw gaven kunsthistorici hem de naam ‘Van Oostsanen’, omdat hij geboren was in het dorp Oostzaan, ten noorden van Amsterdam.

Eivormige hoofden

De kunstenaar vestigde zich in 1500 in de Kalverstraat, ook in de zestiende eeuw al een belangrijke handelsstraat. Schuin tegenover zijn huis bevond zich de Kapel ter Heilige Stede, een trekpleister voor pelgrims, omdat zich daar in 1345 het Mirakel van Amsterdam had voltrokken (zie kader). De kunstenaar speelde hier handig op in door bidprenten te verkopen. Even verderop in de straat woonde de koopman, bankier en kunstliefhebber Pompeius Occo (1483-1537), die hem regelmatig opdrachten gaf voor schilderijen.

De werkplaats groeide uit tot een bloeiend familiebedrijf en een kweekvijver voor nieuwe kunstenaars. Zo was Van Oostsanen de leermeester van Jan van Scorel. Ook zijn eigen zoon Dirck Jacobsz en kleinzoon Cornelis Anthonisz ontwikkelden zich tot gerespecteerde kunstenaars. En in Alkmaar was er een tweede vestiging van het familiebedrijf, de werkplaats van Van Oostsanens broer Cornelis Buys.

Het werk van Van Oostsanen was vooral geliefd wegens de karakteristieke figuren die hij tekende en schilderde. De mannen hebben iets knokigs en boertigs en de vrouwen zijn ook geen schoonheden: ze hebben eivormige hoofden of een onderkin. „Dit moeten mensen zijn geweest die hij in zijn omgeving tegenkwam”, zegt Norbert Middelkoop, conservator oude kunst bij het Amsterdam Museum. „Hij beeldde ze realistisch af en dat beviel zijn publiek.”

Van Oostsanen-kenner Daantje Meuwissen noemt hem „een schilder in zwart-wit”. „Je kunt goed zien dat hij van oorsprong prentenmaker was. Hij tekent met verf. Schaduwen maakt hij door kleine arceringen te tekenen. Ook omlijnde hij alle vormen op zijn schilderijen met een donkere contour, alsof hij ze eerst tekende en later inkleurde, als bij een prent.”

Meuwissen herkent zijn stijl uit duizenden. „Zijn prenten en schilderijen zijn vaak overladen met details, zoals ornamenten en patronen op gewaden. Ook schilderde hij graag een heleboel kleine, kwajongensachtig spelende engeltjes.” Die uitbundigheid is bijvoorbeeld zichtbaar op De Aanbidding van Christus die hij in 1512 maakte. Van Oostsanen maakte dit grote schilderij in de opdracht van een rijke dame, Margriet Boelen, die het schonk aan het klooster waar haar broers waren ingetreden.

Opfrisbeurt

Het kunstwerk is nu eigendom van Museo di Capodimonte in Napels. Dit museum bezit een ontzagwekkende hoeveelheid meesterwerken, van onder anderen Titiaan, Rafael en El Greco. Veel van deze werken zijn toe aan een opfrisbeurt. Het vernis is vaak wazig of vergeeld. Dat was ook het geval bij De aanbidding van Christus, dat al sinds 1958 niet meer was uitgeleend. Het Amsterdam Museum slaagde erin het kwetsbare paneel in bruikleen te krijgen. In ruil betaalde het museum de restauratie. „Het is het hoogtepunt van het Amsterdamse deel van de tentoonstelling”, zegt Norbert Middelkoop.

In februari reisden Middelkoop en De Koekkoek in gezelschap van journalisten naar Napels om het resultaat van de restauratie te bekijken. Ze reageerden verheugd op de vele details op het schilderij die na de restauratie tevoorschijn waren gekomen. De Koekkoek: „Je ziet nu zelfs de grijze wimpers van de figuren.”

Van Middelkoop: „Kijk, hier zie je nu een os en een ezel. Die waren eerst onder het vernis verborgen.”

Van Oostsanen signeerde veel werken met een monogram (met onder meer een ondersteboven geplaatste W met daardoorheen een V), waar zijn familieleden variaties op maakten. Het diende als een soort bedrijfslogo van de firma uit de Kalverstraat. Het schilderij uit Napels draagt niet dat opvallende merkteken, maar het is toch onmiskenbaar van zijn hand: karakteristieke koppen, zeer gedetailleerd getekend, tientallen over elkaar buitelende engeltjes en renaissancistische motieven.

In zijn beginjaren schilderde Van Oostsanen vooral bijbelse voorstellingen in een laatgotische stijl. Onder invloed van zijn leerling Jan van Scorel ging hij ook allegorische, moralistische onderwerpen schilderen in een meer renaissancistische stijl. Van Scorel bracht na zijn leertijd in Amsterdam enkele jaren door in Italië, waar hij werd benoemd tot conservator van de pauselijke kunstcollecties. De renaissancistische invloeden die hij daar onderging, nam hij in 1524 mee terug naar huis, waar hij zijn kennis deelde met zijn leermeester.

Die invloed is op een schilderij als Salome met het hoofd van Johannes de Doper goed te zien: de compositie werd minder druk, de verf dunner opgesmeerd, de kleuren zachter. Meuwissen: „Hij voelde haarfijn aan wat de smaak van die tijd was.”

Cultureel ondernemer

Van Oostsanen benutte de capaciteit van zijn werkplaats maximaal. Het familiebedrijf produceerde sommige schilderijen, zoals Maria met musicerende engeltjes, in serie. Daarnaast bleef hij prenten maken. Naast de bidprentjes introduceerde hij een nieuw genre: prenten van zo’n 45 bij 35 centimeter, die bij wijze van schilderij aan de muur konden worden gehangen. Ook produceerde hij reeksen prenten die aan elkaar geplakt een fries van soms wel twee meter vormden. Deze reuzenhoutsneden werden een Amsterdamse specialiteit.

Op het gebied van de prentkunst was Van Oostsanen meer een vernieuwer dan als schilder. Toch is het aan hem te danken dat de schilderkunst in Amsterdam voor het eerst tot bloei kwam. Zijn werk was door de schildertechnische kwaliteit en de rijkdom aan detaillering zeer geliefd, waardoor de opdrachten bij zijn werkplaats binnenstroomden. Zijn zoon specialiseerde zich in portretkunst en schuttersstukken, terwijl zijn kleinzoon de traditie van de reuzenhoutsneden voortzette. Ook maakte deze de oudste kaart van Amsterdam die bewaard is gebleven. Zo vormde de werkplaats de springplank voor een latere generatie kunstenaars.

„Van Oostsanen verdient een herwaardering. We hopen dat onze tentoonstelling die in gang zal zetten”, zegt Lidewij de Koekkoek. „Niet alleen maakte hij prachtig werk, hij was ook een van de eerste cultureel ondernemers van Nederland.”

    • Claudia Kammer