Succes in Sotsji leidt tot andere visie op schaatsen

Volop gouden medailles voor schaatsers met sterk verschillende technieken uit skeeleren, shorttrack of natuurijsmarathons. Tijd voor een nieuwe visie op de beste manier van schaatsen?

Ireen Wüst, Marrit Leenstra en Jorien ter Mors tijdens de ploegenachtervolging op de Winterspelen vorige maand. Foto AFP

Die wereldrecordrace van Jeremy Wotherspoon in Salt Lake City 2007, welke sprinter is er niet groot mee geworden? Videobeelden van zijn magistrale 34,03 seconden behoren tot de standaardbagage van elke schaatstrainer. Wat een lange, rake klappen van de Canadees, met precies de juiste kniehoek van 90 graden. Wat een perfectie in de bocht. En kijk ook meteen eens even hoe diep zijn veel kleinere Aziatische tegenstanders in de schaatshouding zitten, nazaten van de Japanse sprintkeizer Hiroyasu Shimizu. Zo doe je dat, keihard schaatsen.

Komend weekeinde strijden de broers Michel en Ronald Mulder bij de wereldbekerfinale in Heerenveen om goud en zilver op de 500 meter. In Sotsji werd Michel olympisch kampioen en was er brons voor Ronald. De Zwolse tweeling, afkomstig uit het inline-skaten, benadert qua tijden het niveau van Wotherspoon. Maar met een op het oog andere techniek. Minder diep in de schaatshouding, gerust eens ietsje ruimer de bocht uitwaaierend. „Inliners zitten van nature wat minder diep”, zegt Jac Orie, coach van Ronald Mulder. „Je ziet dat vooral aan hun linkerbeen in de bocht”, aldus Gerard van Velde, die Michel Mulder begeleidt. Tijd voor een nieuwe visie op de ideale manier van schaatsen?

„Het enorme succes van de Nederlandse schaatsers in Sotsji heeft laten zien dat je met heel verschillende schaatsstijlen hard kunt rijden”, stelt schaatsonderzoeker Otto den Braver, tot voor kort werkzaam aan de TU Delft. In Vancouver 2010 waren nog zes schaatsers van slechts drie coaches (Gerard Kemkers, Jac Orie en Bart Schouten) verantwoordelijk voor alle medailles op de individuele nummers. In Sotsji droegen liefst acht coaches of coachteams bij aan het individueel succes van dertien Nederlandse schaatsers. Met als meest in het oog springend resultaat goud voor een inliner (Michel Mulder), shorttracker (Jorien ter Mors) en een marathonschaatser (Jorrit Bergsma). Elk met hun specifieke stijl.

Vroeger was er vooral één dominante visie van legendarische kernploegtrainers als Leen Pfrommer, Ab Krook of Henk Gemser. De geodriehoek was nooit ver weg om op tv-beelden de hoeken te meten van onderbeen ten opzichte van bovenbeen, en van bovenbeen ten opzichte van romp. Hoe dieper in de hoeken hoe beter, simpel gesteld. „Je kunt een langere afzet maken als je dieper zit en hebt minder luchtweerstand”, doceert Orie, die werkt aan een proefschrift over schaatstraining. Maar kun je een schaatser trainen om dieper in de hoeken te gaan zitten?

Schaatsonderzoeker Jos de Koning (VU Amsterdam) volgde voor zijn promotieonderzoek jarenlang talenten uit de generatie van Rintje Ritsma en Annamarie Thomas. „Schaatsers van Jong Oranje is honderden keren verteld dat ze dieper moesten gaan zitten”, zegt De Koning. „Toch zag ik daarin geen verandering bij de 38 talenten waarvan ik de ontwikkeling vijf jaar lang heb bijgehouden. De diepte van de zit lijkt vast te liggen voor een schaatser van 16 of 17. Misschien hoort het bij hun lijf, de fysiologie van de spieren.”

Hoe die wetenschap toe te passen op inline-skaters, die niet gewend zijn om heel diep te zitten omdat het op hun rolschaatsen niet tot een langere afzet leidt? „Door training kun je er toch wel een beetje aan schaven”, zegt Van Velde, die met tweevoudig wereldkampioen Michel Mulder en zijn sprinters af en toe op relatief lage snelheid traint in diepe hoeken. „Ik heb in mijn ploeg schaatsers dieper laten zitten onder wie Ronald Mulder”, stelt Orie. „Maar je moet er niet te veel aan rotzooien.”

Accepteer liever dat inliners en shorttrackers elk hun eigen kwaliteiten hebben, adviseert wetenschapper Den Braver, zelf in het verleden een goede shorttracker. Inliners hebben een smallere slag dan bijvoorbeeld Sven Kramer, die de hele baan gebruikt. „Zijwaarts afzetten is nodig”, zegt Den Braver, „maar daar gaat best veel energie verloren.” En niet voor niets zijn veel langebaanschaatsers in trainingsperiodes te vinden op de shorttrackbaan. Den Braver: „Langebaanschaatsers met een shorttrack verleden, zoals Jorien ter Mors en Shani Davis staan in de bocht lang op één been. Ze hangen daardoor goed in de bocht.”

Voor Den Braver, maar ook voor voormalig olympisch kampioen Van Velde schuilt de winst juist in het aanvaarden dat er geen ideaalbeeld van een schaatser is. „Het is juist heel variabel en individueel bepaald”, zegt Van Velde. „Mensen gaan niet voor niets in een bepaalde houding zitten, ze zoeken onbewust de manier waarmee ze het meest efficiënt zijn en hun kracht het beste kwijt kunnen. Met wetenschap ga je op dit terrein niet veel winnen.”

Het geheim van de ideale schaatstechniek lijkt niet te liggen in een diepere zit, maar eerder in moeilijk kwantificeerbare zaken als ritme en timing. „Als Wüst goed rijdt, dan zie je dat aan haar timing”, zegt Jos de Koning. „Ze komt over met haar gewicht van links naar rechts bijvoorbeeld, maar ze wacht en wacht voordat ze de rechterschaats neerzet voor de volgende afzet. Als je dat te vroeg doet, dan val je niet genoeg terug. Je moet durven wachten.”

Wüst heeft volgens De Koning ook een perfecte afzethoek, waarmee hij bedoelt dat haar schaatsen daarbij heel schuin tegen het ijs staan. Hij zag die eerder bij de Duitse Gunda Niemann, de meest succesvolle schaatsster ooit, maar geen winnaar van de stijlprijs. „Bij haar werd altijd gezegd: ‘doping’ of ‘ze is niet kapot te krijgen’. Zo sterk was geen vrouw. Het was esthetisch niet mooi om naar te kijken. Maar als je naar haar afzethoek keek of hoe zij in de bocht de slagen raakte, perfect. Ik mat gewoon hoeken. Ze had de kleinste afzethoek in het hele veld.”

    • Maarten Scholten
    • Michiel van Nieuwstadt