Staatsbosbeheer brengt troost voor een dichter

Alweer Boekenweek. De laatste drie gingen stilletjes voorbij. Crisis in het boekenvak maar Staatsbosbeheer publiceert wel, aldus Halil Gür.

Wat is nou vandaag de dag het schrijverschap nog? Ik vraag het me steeds vaker af. Is het niet simpelweg een zelfopgelegd gevangenschap? Een vrijwillige opsluiting? De laatste tijd voelt het wel zo. Wanneer ik dagenlang achter mijn schrijftafel zit, voel ik de muren op mij afkomen. Als in een cel snak ik naar vrijheid, zuurstof en zon. De warme begroeting van een mens. Maar ik ga niet naar buiten, ik blijf maar doormodderen in mijn moeras van woorden, zinsneden en verhaallijnen. Transpiratie zonder inspiratie geeft niets dan frustratie.

Intussen is het alweer Boekenweek. De afgelopen drie zijn stilletjes voorbijgegaan. Schrijvers, uitgevers, boekhandelaren: iedereen die zijn brood met boeken verdient, is keihard geraakt door de crisis. Ikzelf ben onderhand blutter dan een omgevallen bank.

Zonder contact met de buitenwereld zie ik niet dat ik nog besta. Mijn vroegere handelen is als een zaaien geweest, maar nu zie ik nergens gewas groeien. Een leven dat geen tekenen teruggeeft is als een bord pap zonder krenten. Een glimlach en een zonnestraal zijn trouwens ook op straat zelden te vinden. Als ik nou maar niet zo berooid was geweest, dan zat ik morgen op Hawaï. Of misschien toch liever niet Hawaï. In mijn binnenste woedt een verlangen naar mijn moederland, mijn moedertaal, het landschap, de zee, de bergen, geuren.

Toch is binnen tobben niets voor mij, ik houd het niet langer uit. Ik ga de straat op. Ik gooi de voordeur open en stap naar buiten. Ik ben moederziel alleen op straat. Ik probeer troost te zoeken in de gedachte aan de koffie verkeerd die ik straks zal drinken aan de laatste-avondmaaltafel in een bruin café. Misschien kom ik er wel oog in oog te zitten met een beeldschone jeugdige dame. Maar het blijkt tevergeefs. Alle ogen in het café zijn gericht op mobieltjes, tablets en laptops. Met een bitter gevoel en zonder de bittere nasmaak van koffie in mijn mond verlaat ik het café weer.

Inmiddels kondigt de lente zich aan. De eerste bloesems laten zich zien. Ik ben dus opnieuw naar buiten gegaan. Maar terwijl de lente in de lucht hangt, ben ik vervuld van een stille weemoed. Met dit hart zwerf ik langs straten, lanen, stegen en grachten. Langs de Westerkerk en het Anne Frankhuis ben ik gekomen. Het werd een lange wandeling. Eenentwintig bruggen ging ik over voordat ik mijn Jordanese voordeur terugzag.

Ik treed mijn werkkamer binnen en zie mijn antwoordapparaat rood knipperen. Een bericht! Voor mij! Haastig druk ik op de knop. De stem van een vriend buldert mij uit de verte toe: „Dag Halil! In Godsnaam, waar ben je?! Ik probeer je al de hele dag te bellen! Ik zit hier met mijn vrouw en kinderen middenin de bossen van Nunspeet. We hebben iets wonderbaarlijks meegemaakt! Mijn jongste zoon, Ruben, heeft jouw naam zien staan. Staatsbosbeheer heeft je aan een eeuwenoude boom verbonden. Twee dichtregels uit je laatste bundel! ‘De stenen zijn de botten van de Aarde. Door de stenen kun je met Moeder Aarde spreken.’ Jouw woorden. Halil, je wordt gehoord! Ga door met wat je doet, ik ben trots op je! Wie zaait, zal oogsten. Blijf zaaien!”

Het is alsof ik het rouwkleed dat ik had gedragen, van mij afwerp. Licht stroomt naar binnen en vloeit door mijn aderen naar mijn binnenste. Mijn benauwdheid smelt weg. Als een opgewonden kind been ik naar mijn schrijftafel. Ik zit dus toch op de goede weg. Een zaadje dat ik al lang geleden had achtergelaten, is ontkiemd, en draagt mij nu voort. Ik voel dat ik nog lang kan blijven leven, schrijven en scheppen.

    • Halil Gür