Opinie

    • Margriet Oostveen

Schaamgroen

Jan den Ouden gaat nog wel eens kijken bij de boom die hij als kind op Nationale Boomfeestdag plantte in de Alblasserwaard. Een es, zei hij. „Recht?” vroeg ik. „In een rijtje?” „Recht.” Nederland plant bomen graag strak. Dat is bekend. Omdat we veel rechte wegen en paden hebben. Of als windvang. Frankrijk en Italië kunnen er trouwens ook wat van (cipressen!), om over de Griekse olijfbomen maar te zwijgen. Alleen: daar is ook slordige natuur. Wij hebben alleen de kunstmatige wildernis van de Oostvaardersplassen. Lang waren we bijzonder gesteld op bomen in geometrische patronen, maar hier verandert iets. We willen weer ‘echte’ natuur, die ‘wild’ is. Natuurmonumenten verkoopt zijn notoir aangeharkte parken tegenwoordig aan kinderen met de leus: ‘Ben jij OERRR?’

Noem het een nieuwe romantiek. Jan den Ouden, universitair docent Bosecologie en Bosbeheer aan de Wageningen Universiteit, had goed nieuws: er wordt al 20 jaar nauwelijks nog een rechte rij bomen in Nederlandse bossen geplant. We spreken nu van ‘natuurlijke verjonging’. Lekker oer hoor, maar het slechte nieuws kwam er meteen achteraan: bomen mogen zich nu vermenigvuldigen waar ze willen, alleen zijn dat meestal dennen en berken. Een eik kan dat gewoon niet zo snel. Verwilderende bossen worden dus eentonige bossen. En de reden is ook al prozaïsch: de subsidie voor nieuwe aanplant werd in de jaren negentig afgeschaft.

Rechte bomenrijen horen vooral bij Brabant en de polders, waar de meeste populieren staan, want die kun je op hun ‘eindafstand’ planten, zei Jan den Ouden: met wat precisie en voldoende ruimte komen ze nooit meer in de knel. Hij houdt van de symmetrie van die landschappen. Zoals hij Mondriaan prachtig vindt.

Ik vroeg wat onze boomaanplant over ons zegt. „In welke enorme weelde en luxe wij leven”, zei Jan den Ouden. „Wij kunnen het ons permitteren onze bomen en bossen als decorstuk te behandelen.” Elders zijn bomen noodzakelijk onderdeel van de economie, wij importeren ons hout eenvoudig.

Nu begon Jan den Ouden over de afschaffing van de Boswet. Ontstaan in de Eerste en gecompleteerd na de Tweede Wereldoorlog, toen er groot tekort aan hout was. In de Boswet staat dat je voor iedere gekapte boom een nieuwe moet planten. Maar die wet verdwijnt, samen met de Flora- en Faunawet, in de nieuwe Wet Natuur. In de Wet Natuur vertegenwoordigt het bos geen economische waarde meer, maar is het definitief decor geworden. Puur natuur.

Dat klinkt wel goed, maar die status is verraderlijk labiel. „Want als een bos natuur in de weg staat, dan mag je het voortaan kappen.” Hoe kan nota bene een bos nou natuur in de weg staan? Makkelijk, zei Jan den Ouden. Bijvoorbeeld als je twee heidegebieden aan elkaar wil schakelen.

Bossen hebben tijd nodig. Vertegenwoordigt bos economische waarde, dan is dat geregeld: hout moet groeien. Maar denk je alleen nog in termen van natuur, dan gaat het mis. Dan worden bomen een hobby. Een linkse hobby. En wat we intussen allemaal kappen? Zand erover op boomplantdag.

„Schaamgroen”, noemde Jan den Ouden dat.

    • Margriet Oostveen