‘Mijn expositie is als een visueel gedicht’

In Teylers Museum opent morgen de tentoonstelling ‘Zwagerman kiest’. De schrijver maakte een selectie van vijftig prenten en hing die op wild associatieve wijze naast en boven elkaar. „Curator zijn komt dichtbij het scheppen.”

Het liefste was hij natuurlijk zelf kunstenaar geworden, geeft Joost Zwagerman toe. „Toen ik jong was, had ik een hoog ideaalbeeld van de kunstenaar, die stond voor mij bovenop de Parnassus. Pas daarna kwamen de schrijvers en de muzikanten. Op de middelbare school droomde ik ervan naar de Rietveld Academie te gaan, maar ik zag al snel in dat daar niet mijn talent lag. Dan kun je twee dingen doen: in een hoekje van je hersenpan gaan zitten mokken, of denken: dit kan ik dus niet en vervolgens toch proberen zo dicht mogelijk bij die kunstenaars te komen.”

Beeldende kunst is zijn grote liefde en fascinatie, zegt Zwagerman (Alkmaar, 1963). „Soms grenzend aan een obsessie.” Hoewel hij bij het grote publiek vooral bekend is als schrijver, lijkt het wel of zijn activiteiten in de kunstwereld de laatste jaren de overhand nemen. Hij schrijft tweewekelijks een stuk over kunst in de Volkskrant, ‘Zwagerman kijkt’, en verklaart maandelijks in het tv-programma De Wereld Draait Door een kunstwerk voor 1,2 miljoen kijkers. Hij schreef gedichten bij kunstwerken in de bundel Beeld verplaatst (2010) en stelde in 2012 de tentoonstelling Rollercoaster (2012) samen in museum MOTI in Breda.

Morgen opent in het Teylers Museum, in zijn huidige woonplaats Haarlem, de tentoonstelling Zwagerman kiest. De schrijver mocht grasduinen in de 40.000 stuks grote collectie van het museum en koos daaruit om en nabij de vijftig tekeningen en prenten. In het prentenkabinet heeft hij ze wild associatief, anarchistisch haast, naast en boven elkaar gehangen – een fijngeschilderd bloemstilleven van Herman Henstenburgh uit circa 1700 naast een abstracte kleurexplosie van Jef Diederen uit 1961. Of een geëtst portret dat Johannes van Vliet in 1634 van Rembrandt maakte naast een getekend portret van Emo Verkerk uit 1992. Er zit ruim drie eeuwen tussen, maar de manier waarop een schaduw op een wang valt, is in al die jaren niet veranderd.

Zwagerman grinnikt: „De conservatoren van Teylers noemden me een typisch kind van de jaren tachtig. Blijkbaar blijft dat etiket toch aan me kleven. Maar inderdaad, ik heb een redelijk postmoderne tentoonstelling gemaakt.” De ene keer zijn de combinaties vrij letterlijk, omdat er op beide werken een boom staat, of een wolkenkrabber. Bij andere paren en groepen is de link minder duidelijk. Zwagerman: „Soms zie je volstrekt onvermoede beeldovereenkomsten op basis van slechts één detail. Het esthetisch uitbuiten van de kleur rood bijvoorbeeld. Dat gebeurt bij Armando, in een litho van een wild rood dier, maar ook bij Piet Tuytel, in een aan Mondriaan herinnerend abstract werk. Zo krijg je onmogelijk geachte families bij elkaar.”

Hij ziet zijn tentoonstelling als een gedicht, zegt Zwagerman. „Je hebt een beeld, andermans beeld, waar je een bepaalde associatie mee hebt, en dat breng je samen met een nieuw beeld. Zo rijgen de werken zich aaneen tot een visueel gedicht, tot beeldpoëzie.” Daar moet je niet te veel tekst en uitleg bij geven, vindt hij. „Het wordt altijd pijnlijk als een dichter zijn eigen gedicht gaat uitleggen. Dat staat de verbeelding in de weg. De kijker moet zelf kunnen associëren.”

Mooi is de combinatie van een hoogzwanger zelfportret van Marlene Dumas naast een ets die Rembrandt maakte van een naakte vrouw met een uitgelubberde buik. „De tekening van Dumas is vlak voor de geboorte gemaakt, terwijl Rembrandt het moment na de geboorte tekent van misschien wel twee of drie kinderen. Zijn vrouw weet duidelijk wat baren is. Daarbij hang ik een glooiend, abstract vrouwbeeld van Lucebert en een klassiek, romantisch naakt van de obscure kunstenaar Ferdinand Schmutzer, dat bij wijze van spreken zo in de Playboy had gekund. Samen gaat dat natuurlijk wringen en botsen.”

Rembrandt, Dumas en Bijwaard

Zijn het allemaal favoriete kunstenaars? „Het zijn in ieder geval favoriete kunstwerken. Rembrandt moest er sowieso bij: welke Nederlander kan nu zeggen dat hij om Rembrandt heen gaat lopen? Dumas volg ik al twintig jaar, met haar werk ben ik opgegroeid. Dan moet je ook je eigen biografie recht doen en zeggen: ze moet erbij. En Pieter Bijwaard is een geheimtip. Zijn werk is sterk vertegenwoordigd in de collectie van Teylers, maar hij is ook een goede vriend. Hij is een fijnschilder, bijna een hedendaagse miniaturist, een soort kluizenaar ook. Hij werkt soms maanden aan een schilderij. Deze tentoonstelling is deels opgebouwd rondom Rembrandt, Dumas en Bijwaard. Voor anderen klinkt dat misschien vreemd, maar voor mij is het volstrekt natuurlijk.”

Met die vrije, associatieve manier van kijken is Zwagerman schatplichtig aan Rudi Fuchs, die in de jaren negentig in het Stedelijk Museum met zijn Couplet-reeks ook de meest onverwachte dwarsverbanden legde. Hij heeft vaak gesproken met Fuchs, beaamt Zwagerman. „Ik wilde weten hoe hij naar kunst kijkt. Fuchs kan heel vrij kijken, lees zijn column in De Groene Amsterdammer er maar op na. Hij was revolutionair in zijn manier van tentoonstellingsmaken, en voor mij was hij ook opvoedend. Toen ik naar Amsterdam kwam, en mijn culturele opvoeding genoot, waren er Fuchs’ Coupletten. Hij is zeker een belangrijke leermeester geweest.”

Het Stedelijk was sowieso belangrijk voor hem, zegt Zwagerman. „Daar zag ik mijn eerste werken van Willem de Kooning, Donald Judd, Barnett Newman, en in 1984 Edy de Wildes tentoonstelling La Grande Parade. Die catalogus heb ik echt gekoesterd. Het was mijn kennismaking met de moderne kunst. Mijn volwassenwording als kunstkijker associeer ik voor altijd met het Stedelijk.”

Lopen door een baarmoeder

Achteraf gezien gaat ook een belangrijk deel van zijn literaire oeuvre over beeldende kunst, constateert Zwagerman. In zijn debuut, De houdgreep uit 1986, wordt een jonge au pair verliefd op een jongen wiens broer videokunstenaar is in Londen. „Die kunstenaar had ik toen enigszins gemodelleerd naar Anton Corbijn, zijn foto’s kende ik uit muziekblad Oor. Later is Corbijn gaan doen wat een van mijn hoofdfiguren in De houdgreep al doet: het maken van kunstzinnige videoclips. Dat vond ik wel grappig.” In zijn tweede boek, de verhalenbundel Kroondomein, staat een verhaal over een kunstenaar die het binnenste van het lichaam van een vrouw namaakt. „Ik beschrijf daarin hoe je door de baarmoeder kunt lopen. Nu denk je dan aan het werk van Joep van Lieshout of Anish Kapoor; ik verzon het gek genoeg in 1987.”

In 1989 schreef Zwagerman de zedenschets Gimmick!, over een groep jonge Amsterdamse kunstenaars die, koud van de Rietveld Academie, al heel snel succes kregen en zich laafden aan drugs, geld en seks. „Ik had dus dat romantische ideaalbeeld van de kunstenaar. Maar toen ik naar Amsterdam kwam, ontdekte ik dat kunstenaars ook een andere kant hadden. Dat ze ook uitvreters waren, bohémiens of Titaantjes, maar dan op een andere manier dan in het boek van Nescio. Titaantjes die de sterren waren in de clubs en discotheken in Amsterdam, bijna net zo glitzy als popmuzikanten. Ik had de beeldend kunstenaar nooit geassocieerd met het sterrendom. Maar dat is wel wat er eind jaren tachtig met kunstenaars als Peter Klashorst en Rob Scholte gebeurde. Kunst was hip en glamoureus. En het was ook meer dan kunst alleen: er werd muziek gemaakt en video’s, er werd gedicht. Ik had daar enorme bewondering voor.

„De kunst van die generatie had een heel eigen dynamiek – rauw, energiek, maar ook heel intelligent, literair bijna. We dachten werkelijk dat deze generatie een nieuwe landmark zou achterlaten. Maar die kansen zijn naar mijn idee niet voor 100 procent benut. Dat is ook de tragiek van die generatie. Bij verschillende kunstenaars heeft het lot onbarmhartig toegeslagen. René Daniëls kreeg een hersenbloeding, Rob Scholte raakte gehandicapt door een bomaanslag, Maarten Ploeg overleed jong aan kanker en Peter Klashorst dwaalde af in avonturierschap. De ironie wil dat uit die machocultuur van de jaren tachtig vier vrouwen als sleutelfiguren van de Nederlandse kunst naar voren zijn gekomen: Rineke Dijkstra, Marlene Dumas, Marijke van Warmerdam en Desiree Dolron. Niemand had toen kunnen denken dat juist zij overeind zouden blijven.”

Onderstroom

Hij heeft de kunstwereld snel zien veranderen in de afgelopen kwarteeuw, zegt Zwagerman. „In de jaren tachtig kon en mocht alles. Hoge en lage cultuur versmolten, de punkcultuur kwam op met zijn do-it-yourself-mentaliteit – dat was uniek. Nu mag en kan ook alles, maar dat tegendraadse zie ik nu niet meer terug in de kunst van nu. In de jaren tachtig was er ondanks de veelvormigheid toch een bepaalde eendracht. Die onderstroom ontbreekt in de hedendaagse kunst, er zijn nu vooral heel sterke individuen. Je volgt oeuvres. Kijk naar Vlaanderen, waar de grootmeesters Luc Tuymans en Michaël Borremans van een intimiderend hoog niveau zijn. Er is geen samenhangend iets meer wat die kunstenaars bij elkaar trekt. En dat mis ik wel eens.”

Probeert hij als curator misschien toch nog wat dichter bij de wereld van de kunstenaar in de buurt te komen? „Tentoonstellingen maken heeft meer te maken met scheppen dan ik dacht”, antwoordt Zwagerman. „Je bent natuurlijk volstrekt afhankelijk van andermans creativiteit, toch is het ook een creatief beroep. Een curator kan echt een toegevoegde waarde hebben bij het combineren van kunstwerken. Curator zijn komt vrij dicht bij de unieke ervaring van het schrijven of de roes van het maken van een gedicht.”

Hij zwijgt even, voor het eerst in ons gesprek zoekt hij naar woorden. „Weet je”, zegt hij dan, „ik ga een jongensachtige uitspraak doen. Ik heb veel gedaan in mijn leven: ik schrijf voor de krant, was presentator van Zomergasten, deed een theatertour met Ronald Giphart. Maar als ik in 2003 ziek was geworden, hadden ze wel een andere presentator voor Zomergasten gevonden. En Giphart had het ook zonder mij wel gered. Maar Gimmick! was er niet geweest zonder mij.

„Zo durf ik ook te stellen dat als ik niet door Teylers was gevraagd, Rembrandt, Dumas en Lucebert nooit naast elkaar hadden gehangen. Met deze tentoonstelling voeg ik een nieuw beeld toe. Dat is bijna als scheppen.”

    • Sandra Smallenburg